Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pek en teer naar buiten te werpen. Reeds waren velen gewond of verbrand, toen op eenmaal van een heel andere plaats de kreet klonk: „Op, op, voor heer Herman!"

Wolfaard keek om en zag zijn gevangene aan het hoofd eener groote bende hem en de zijnen in den rug vallen. Van een mislukten strooptocht teruggekeerd, was zijn oudste zoon, jonker Gerafd, door den ingang bij het bierhuis naar den burcht geklommen, na eerst de wachters gedood en zijn vader bevrijd te hebben.

Dat was voor Wolfaard en de zijnen een vreeselijke misrekening! Wie had aan zooiets kunnen denken?

Den strijd winnen was voor Wolfaard en de zijnen niet meer mogelijk. Vluchtte men, dan zou men langs de steile rotsen in den afgrond storten; gaf men zich over, dan werd men smadelijk gedood. Er zat dus niets anders op dan strijdende te sterven.

„Holland! Holland!" schreeuwde Wolfaard en met zijn ijzeren staaf en met zijn reuzenkrachten was hij een verschrikkelijk vijand. Zijn aanvallers vielen om hem heen, doch de moed der zijnen begon te wankelen.

Maar wat was dat?

Een nieuwe bende met een ridder aan het hoofd naderde onder het geschreeuw van: „Op, op, voor Berkenheim!"

Thans veranderde, voor allen op een onbegrijpelijke wijze, de kans voor heer Herman en de zijnen. Het werd een waar bloedbad.

„Ha, Vos van Berkenheim, riep nu heer Herman woedend „Toont gij weer uw aard?"

„Gij hebt mij en de mijnen tot den bedelstaf helpen brengen, schelm," luidde het antwoord. „Voortaan behoor ik koning Willem, die moge arm zijn, valsch is hij niet! Op! Op! Holland! Berkenheim!"

De twee ridders vielen op elkander aan.

Een zwaard ging in de hoogte, daalde neer en — heer Ogier viel.

187

Sluiten