Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter het bierhuis, en zoo was hij op het juiste oogenblik gekomen om de roovers te helpen verslaan.

„En wat zult gij nu doen, heer Ogier?" vroeg Wolfaard.

„Mijn goede vrouw is dood; mijn eenige zoon is op een ellendige wijze omgekomen; mijn kasteel bestaat niet meer, mijn dochters nemen den sluier aan. Wat blijft nu voor mij over? Wil koning Willem vergeten, dat ik hem ontrouw werd, dan wijd ik mijn leven hem, en ik hoop dan te zorgen, dat men later, als ik niet me^er in leven ben, mij niet meer noeme „Vos van Berkenheim." Ik hoop mijn ouden naam in eere ten grave te dragen."

Daar de tocht slechts langzaam voortging, kwam men pas een week later te Keulen aan en Wolfaard deed koning Willem verslag van het gebeurde.

„En wie was de ridder, die u zoo onverschrokken en zoo tijdig hulp kwam bieden?" vroeg de koning.

„Heer koning, zult gij dien man beloonen?"

„Ja, op mijn woord van roomsch-koning!"

„Ook dan, als hij u eenmaal ontrouw werd?"

Koning Willem zweeg.

„Ook dan, heer koning?" vroeg Wolfaard ernstig. Nog bleef koning Willem zwijgen.

„Hij is zoo fel getroffen, heer koning! Hij verloor vrouw en zoon; zijn kasteel werd door dé roofridders verbrand; zijn dochters zullen in het klooster gaan; verlaten staat hij daar."

„Dan is het niemand anders dan de „Vos van Berkenheim," zei koning Willem.

„Hij is het, heer koning, en ik verzeker u, thans behoort hij u geheel."

„Gij zijt een edel man, Lodewijk van Vaelbeke! Om uwentwille neem ik hem aan en zal niet met hem over het verledene spreken. En thans uw loon! Gij hebt de taak, die ge vrijwillig op u naamt, volvoerd. Ik wil uw adel en wapenschild erkennen en u tot ridder slaan. Weinigen zullen de gouden sporen zoo met eere dragen, als gij! Morgen aan den dag zal dit in het

189

Sluiten