Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, ik ben nieuwsgiering het te weten. Zeg het mij!"

„Een „Leeuw van Berkenheim," Heer zwager! Dapperder ridder ontmoet men in heel het land niet. En ja, ik moest u de groeten brengen van Lodewijk van Vaelbeke."

„Heeft hij bij u zijn liederen voorgedragen?"

„Neen! Harp en luit zijn weer terzijde gelegd. Hij volgt heer Ogier op al zijn tochten en omdat hij nooit een ander wapen voert dan een ontzaglijk zware, ijzeren staaf, waarmee hij bijna spelende, heele rijen vijanden neerslaat, zoo noemen zij hem „IJzeren reus."

„Een zonderling man," zei de Koning. „Maar kom, laten we aan het werk gaan. Ik hoop beide helden weldra te ontmoeten, en dan, ja, dan ontloopt hij me niet meer. Hij zal ridder worden, en heer Ogier, die de gouden sporen reeds lang draagt, zal ik met zijn herbouwd kasteel verrassen. Zijn dochters, die uit wanhoop naar een klooster trokken, hadden de gelofte nog niet gedaan. Ze vertoeven nu bij moei Richardis.' Op den dag, dat heer Ogier zijn voorvaderlijk erf weer in bezit neemt, zal hij zijn beide dochters vinden, om hem te ontvangen."

Hier eindigen we ons verhaal, en komen er veel personen in voor, waarvan ge nog wel wat weten wildet, welnu, in een heel ander verhaal zult gij ze nog eens ontmoeten, en dan weten wat hun verder lot was. Dat andere verhaal heet „Trouw en Ontrouw!"'

Sluiten