Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

veld. 't Leek wel, of ze met den dag snoeziger werden, de rimpeltjes verdwenen, en in plaats daarvan kwamen er kuiltjes in de fluweelzachte perzikwangetjes. In ieder mollig handje zaten vijf putjes, en de trappelende voetjes hadden er evenveel. Maar de dwaze knoopeneusjes bleven. Careltje had nog kleiner neusje dan Carolientje, doch zijn oogen leker grooter. De kindertjes waren met een klein beetje donker haar geboren; dit viel echter al gauw uit, en ze werden net zoo goudblond als mama was.

„Ze zijn net een paar levende schilderijtjes," merkte Dolf op, „die eiken dag mooier worden, en wat lijken ze verbazend op elkaar! Is dat altijd zoo bij een tweeling, ma?"

„Natuurlijk," nam Fritsje mama 't antwoord voor den mond weg, „net als bij een philippine. Want een tweeling is een menschephihppientje, hè ma?" Mama keek een beetje verbaasd, en Dolf dankte voor 't lesje, en vroeg, waar kleine Parkiet die wijsheid vandaan haalde, welke vraag Poekie geen antwoord waardig keurde. — (Papa had hem 't grapje verteld.)

Al leken de kindertjes sprekend op elkaar in uiterlijk, hun aard scheen nog al verscheiden te wezen. Aan Carolientje was nu al te merken, dat ze een bijdehandje beloofde te worden. Ze pakte broertje alles af, wat ze vatten of grijpen kon, en gooide 't dan op den grond.

Sluiten