Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122

Careltje liet 't zich gedwee welgevallen, keek iedereen met groote droomoogen aan, en lachte alleen tegen mama of Tidjem. Zusje was een allemanskindje, vond 't heerlijk om opgenomen en aangehaald te worden, kraaide van pret, als ze Dolf's neus te pakken kon krijgen, of eens lekker aan Nel's vlecht kon trekken.

Poekie verklaarde al gauw, dat Lientje zijn kindje was. Hij vond 't verrukkelijk, wanneer hij haar mocht dragen of op schoot houden, en stelde er een heele eer in, als hij, onder mama's toezicht, heur zacht donzig haar tot een kuifje mocht borstelen.

't Was bepaald schattig om te zien, hoe doodvoorzichtig Fritsje met zijn zusje omging. Hij begon zich naast zoo'n heel klein dingetje een groote jongen te voelen, deed ijverig zijn best om in der minne te komen met enkele letters in 't alphabet, waarmee hij nog op voet van oorlog stond, en verbeterde zichzelf, als hij sprak van „gedenkt" en „gegeeft".

't Werd zoo zoetjesaan tijd, dat Poekie naar school zou gaan. Nel had hem al zoo'n beetje lezen en schrijven geleerd. Hij kwam stellig in de Hde klas, misschien wel in de Hlde, pochte Fritsje. 't Ventje had er niets meer op tegen, aan het leeren te beginnen. Hij wilde geen domme karbouwenhoeder meer worden, 't Stond groot en flink op school te zijn, en hij was nou geen kleine jongen meer. Naderhand zou hij Lientje alles

Sluiten