Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

mama en Nel in. Die warén met den vriendelijken Assistent-Wedono (onderdistrictshoofd) den eenen kant opgegaan, terwijl Dolf, Jan en Fré de andere richting uit zochten.

Mama maakte zich erg ongerust. De zon zou al gauw ondergaan, en in de duisternis wisten de kinderen heg noch steg meer. Ze moest er niet aan denken, wat er dan wel met hen gebeuren kon. Het Inlandsen Hoofd sprak Mevrouw goeden moed in. „Er wonen overal menschen in den omtrek, Mevrouw," troostte hij, „en tijgers zijn er in 't geheel niet meer. Heusch, we zullen de kinderen veilig en goed terug vinden." Maar mama bleef erg angstig, en toen Nel riep: „Daar komt papoes aan," ging ze haastig terug, en klemde zich aan den arm van haar man vast, alsof zij van hem alleen steun en troost verwachtte. Zijn voorgewende kalmte stemde haar dadelijk rustiger. Papa vond beter, dat mama en Nel naar huis terug keerden. Hij en de Assistent konden dan sneller vooruit komen. Nel vertelde nog gauw, hoe de jongens en zij Lous en Frits op eens gemist hadden, en dachten, dat die twee ver vooruit en misschien al thuis waren. Toen dit bleek van niet, had mama dadelijk een boodschap naar den „Assistent" gestuurd, en nu zochten zij in de buurt de jongens verder op.

Nel was ook doodelijk ongerust en erg zenuwachtig,

Sluiten