Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

154

Frits nam in deze benauwende omstandigheden geen aanstoot aan dat „Poekie", zooals hij volstrekt niet meer genoemd wilde worden. Hij deed niet anders dan schreien, klagen en brommen. Op eens ging 't kereltje op den grond zitten, en verklaarde, dat hij niet verder kon. De wilde beesten moesten hem dan maar opeten.

Lous had zelf veel lust om te huilen, doch ze beheerschte zich, zette er zich met kracht tegen in. Ze mocht niet wankelmoedig zijn. En ze wilde ook niet boos of ongeduldig worden; ze had veel te veel meelij met haar lieven, kleinen Poekie. Lous kroop dicht naast hem op den grond, en trachtte hem met lieve, teedere woorden te bemoedigen. Frits soesde zoo'n beetje, tegen haar aanliggend, met zijn bolletje op haar schouder.

De zon was al een poos onder, 't werd donker in 't bosch, maar de maan verspreidde haar zacht zilveren licht. Lous kreeg 't nu ook erg benauwd, wist niet, wat ze in haar radeloosheid moest beginnen. Ze keek naar den hemel op, waar een enkel sterretje reeds tintelde, vouwde de handen, sloot de oogen, en bad vurig om uitkomst in den nood. Toen ze de oogen weer opende, zag ze een rood lichtje blinken, heel in de verte.

„O, Fritsje, lieve jongen, kijk eens," riep Lous verrukt, „zie je dat lichtje? Daar moeten menschen

Sluiten