Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

155

wonen." Poekie was op eens klaar wakker, begon zelfs dadelijk te draven. Maar hij kon dit niet lang volhouden, want 't twinkelend lichtje wilde maar niet dichterbij komen, 't Werd een vreeselijke tocht voor de arme kinderen, er scheen geen eind aan te komen. En zonder dat hoopvol sterretje, wenkend in de verte, hadden ze hem nooit kunnen volbrengen.

XXIII HET ALBINO-MEISJE XXIII

Lous en Frits stonden dan eindelijk voor het Inlandsen huisje, dat hun een baken was geweest in nacht en duisternis, en klopten aan. Een oude vrouw opende de deur en liet de kinderen dadelijk binnen. Fritsje moest direct aan zijn oude vriendin Bok-Sidin in de kampong denken, en lachte vertrouwelijk tegen de neneh, die ook wit haar had, en op hooge kippebeenen liep. En zij was niet minder vriendelijk. Met „owah!" en „tjie! tjie," hoorde ze Lous' verhaal over hun verdwalen aan, en zei, dat ze haar zoon, dien ze ieder oogenblik thuis verwachtte, dadelijk naar Sinkir zou zenden om de familie van de kinderen gerust te stellen. Want die arme schapen moesten eerst uitrusten, al was 't van haar hutje geen kwartier gaans naar huis toe. 't Bleek nu, dat Lous en Frits in een kring hadden geloopen,

Sluiten