Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SINT NICOLAASAVOND.

151

dat ik stout was geweest, ais u wei naar anaere Kindertjes ging en niet bij nrij kwam. Maar vader zei dat de weg zoo moeilijk was hier naar toe. Hoe hebt u dien gevonden; och, wat zult u moe zijn."

„Nee Keesje, want ik ben met de auto gekomen."

„Is 't prettig met de auto rijden? Als ik nu maar niet dood ging, dan zou ik misschien ook wel 'ns in 'n auto rijden, als ik groot was geworden en veel geld verdiende. Nu kan ik nooit voor vader zorgen en ook geen bloemen geven aan juffrouw Weesik en dat had ik toch zoo graag gedaan. U moet ook naar juffrouw Weesik gaan en zeggen..."

„Stil Keesje, je mag niet zooveel praten," zei zwarte Piet zachtjes, „dan krijg je 't weer zoo benauwd. Ja, we gaan naar juffrouw Weesik en zullen haar je groeten doen, is dat goed? Kijk 'ns Keesje, wat ik voor je meegebracht heb." En Piet maakte zijn zak open en haalde er 'n mooi prenteboek uit te voorschijn. „Als je nu niet al te moe bent, kan je plaatjes kijken. En kijk, ik had gehoord dat je je vader zoo graag 'n wollen das had willen geven omdat 't zoo koud is, hier is ze, die mag je aan hem geven."

„O," riep Keesje met 'n dankbaren blik uit, „vader, vadertje ik heb wat voor u."

De man kwam zachtjes dichterbij en Keesje reikte hem het pakje over.

„Dat is uw Sintniklaascadeau vadertje, o, wat ben ik toch gelukkig."

„Dank je mijn ventje," zei zijn pleegvader en drukte voorzichtig 'n kus op zijn witte handje.

Piet stapelde het kastje naast zijn bed vol met chocolade en marsepijn, suiker beestjes, roode appeltje» en noten. Keesje lachte tegen de beestjes en stak rijn hand naar 'n appeltje uit. Zijn vader beijverde zich er eentje voor hem schoon te maken en met dankbaar

Sluiten