Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—11 —

klonk veel harder en heel' anders dan gewoonlijk wanneer hn" menschen te woord stond over bijdragen of handteekeningen voor lijsten.

Toen ging de bel in Vaders kamer en slaakte iedereen een zucht van verlichting.

„Daar gaan ze!" zei Phyllis. „Vader heeft Ruth gebeld om ze uit te laten."

Maar in plaats dat Ruth iemand uitliet, kwam zij zelf de huiskamer in en de kinderen vonden dat ze er vreemd uitzag.

„Mevrouw of u alstublieft dadelijk even bij meneer wou komen. Meneer ziet er uit als een geest, mevrouw; hij heeft stellig slechte tijding gekregen. U moet u maar op 't ergste voorbereiden — misschien een sterfgeval in de familie of een bank gesprongen, of —."

,,'t Is goed, Ruth," zei Moeder zacht; „ga maar naar de keuken."

Toen ging Moeder naar Vaders kamer en volgde er nog meer gepraat. En toen werd er weer gebeld en moest Ruth een rijtuig halen. De kinderen hoorden zware laarzen de gang door en de stoep afgaan. Daarop kwam Moeder weer binnen. Haar hef gezicht was zoo wit als het kanten kraagje dat ze om had, haar oogen stonden strak en groot. Haar mond was net een smal roodachtig streepje — zoo dun waren haar lippen; heel anders dan anders.

,,'t Is bedtijd," zei ze. „Ruth zal met jullie naar boven gaan vanavond."

„Hè, en u hadt beloofd dat we vanavond een poosje langer op mochten blijven, omdat Vader thuis was gekomen," pruilde Phyllis.

„Vader is weggeroepen — voor zaken," zei Moeder. „Kom lievelingen, ga nu dadelijk."

Ze gaven haar een kus en verdwenen. Roberta bleef nog even achter om Moeder eens extra te pakken en haar toe te fluisteren: #,'t Was toch geen heel slecht

Sluiten