Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 14 —

„Natuurlijk met!" zei Roberta, Moeders hand tegen haar wang drukkende.

„Jullie kunt me een heeleboel helpen," zei Moeder, „door opgewekt en gehoorzaam te wezen, en niet te kibbelen als ik weg ben." — Roberta en Peter keken elkaar eens even aan — „want ik zal heel dikwijls van huis moeten gaan."

„Neen, we zullen niet kibbelen — heusch niet!" riepen ze alle drie. En ze meenden het eerlijk.

„Verder," vervolgde Moeder „zou ik graag willen dat jullie mn niets vroegen over deze treurige geschiedenis en er anderen ook niet naar vroegen."

Peter tuurde met een schuldig gezicht voor zich en schuifelde onrustig met zijn voeten.

„Dat willen jullie me ook wel beloven, is 't niet?" vroeg Moeder.

„Ik heb er Ruth al naar gevraagd," zei Peter opeens. ,,'t Spijt me erg, maar ik heb het al gedaan."

„En wat zei ze?"

„Ze zei dat ik het gauw genoeg hooren zou."

„Jullie hoeft er nog niets van te weten," zei Moeder, ,,'t staat in verband met Vaders zaken, en daar begrijpen jullie toch nog niets van, is 't niet?"

„Neen," zei Roberta, „heeft het iets met de Regeering of met het Rijk te maken?" — Want Vader had een rijksbetrekking.

„Ja," zei Moeder. „Maar nu is 't bedtijd, kinderen. Tobben jullie er maar niet over. 't Zal misschien nog wel allemaal terecht komen."

„Dan mag u ook niet tobben, Moes," zei Phyllis „en wij zullen zóó lief zijn, dat u ons niet weerkent."

Moeder zuchtte eens en kuste hen goeden nacht, „Morgenochtend zullen we er dadelijk mee beginnen," zei Peter, terwijl ze naar boven gingen.

„Waarom nu niet dadelijk?" vroeg Roberta.

Sluiten