Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 18 —

Toen ze zich omkeerde, zag Roberta-haar gezicht. Dat vergat ze nooit!

„O, Moeder," dacht ze bn* zichzelf, terwijl ze naar bed ging, „wat is u moedig. Wat vind ik dat knap! Te lachen, als u zóó bedroefd is!"

Den volgenden morgen werden de koffers gepakt; altijd maar meer koffers, en eindelijk, 't was al laat in den middag, kwam er een rijtuig voor om hen naar 't station te rijden.

Tante Emma bracht hen weg. De kinderen hadden meer het gevoel alsof ze haar wegbrachten en dat speet hen niets.

„Maar och, die arme kindertjes, waar zij gouvernante bn wordt!'' fluisterde Phyllis. „Br. wou, voor ik weet niet wat, niet graag in hun plaats zijn!"

Eerst vonden ze 't prettig uit de raampjes te kijken, maar toen het donker werd, begonnen ze slaap te krngen en dutte de een voor, de andere na in, en ze hadden geen flauw idee hoelang ze wel in den trein hadden gezeten, toen Moeder hen zacht aanstootte en zei: „Wakker worden, kinderen, we zijn er."

Ze werden wakker, koud en treurig en stonden op het tochtige perron te bibberen, terwijl de bagage uitgeladen werd. Toen zette de locomotief zich puffend en blazend weer in beweging en trok den trein achter zich voort. De kinderen zagen de lichten aan den achtersten goederenwagen in de duisternis verdwijnen.

Dit was de eerste trein dien ze zagen op den spoorbaan, die langzamerhand zoo'n groote plaats in hun leven zou innemen. Ze wisten toen nog niet hoeveel ze van den trein zouden gaan houden, hoe die het punt in hun bestaan zou worden, waarom alles draaide, en wat al vreemde toestanden en veranderingen hjj hen brengen zou.

Voor 't oogenblik deden ze niets dan rillen en niezen en hopen dat de wandeling naar het nieuwe huis niet ver

Sluiten