Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 19 —

zou wezen. Peter herinnerde zich niet dat hn ooit zoo'n kouden neus gehad had. Roberta's hoed was heelemaal gedeukt en het elastiek leek wel veel nauwer dan anders. Phyllis' veters waren los gegaan.

„Kom," zei Moeder, „we moeten dat eindje loopen. Er zijn bier geen rntuigen."

De wandeling was donker en modderig. Telkens struikelden de kinderen op den oneffen weg, en eenmaal viel Phyllis half soezend in een plas, waaruit ze nat en ongelukkig werd opgeholpen. Er stonden nergens lantarens langs den weg die tegen een heuvel opüep. De kar vorderde langzaam, stapvoets, en mistroostig volgden ze de knarsende wielen. Toen hun oogen wat aan de duisternis begonnen te wennen, konden ze den opgestapelden toren van koffers onderscheiden, die daar in de hoogte voor hen heen en weer waggelde.

Er moest een breed hek worden opengedaan om de kar door te laten en daarna ging de weg dwars door het veld, nu den heuvel af. Even later kregen ze, aan hun rechterhand, een groot, donker gevaarte in 't oog.

„Daar is het huis," zei Moeder. „Ik begrijp niet waarom ze alle blinden heeft dichtgedaan."

„Wie is ze?" vroeg Roberta.

„De vrouw die het huis heeft schoongemaakt en de meubels op hun plaats zou zetten en voor avondeten zorgen."

Achter een lagen muur kwamen de kruinen van hoornen te voorsclüjn.

„Dat is de tuin," zei Moeder.

De kar sukkelde langs den tuinmuur voort, tot achter het huis, waar ze over een met keien bestraat plaatsje ratelde en voor de achterdeur stilhield.

Door geen der ramen scheen licht.

Iedereen bonsde op de deur, maar er kwam niemand.

De voerman zei dat juffrouw Viney waarschijnlijk wel naar huis zou zijn gegaan.

Sluiten