Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 25 —

openlaten, en als er een muis verschijnt, hoef je maar even te roepen, en ik ben bij jullie om den kleinen indringer eens even onder handen te nemen."

Toen ging ze naar haar eigen kamer. Roberta werd eenmaal wakker en hoorde toen het kleine reisklokje twee slaan. Het klonk altijd net, vond ze, of er héél in de verte een kerkklok sloeg. En ze hoorde ook dat Moeder nog in haar kamer bezig was.

Den volgenden morgen vroeg maakte Roberta, Phyllis wakker door haar zachtjes aan 't haar te trekken, maar hard genoeg voor het doel.

„Watsernouweer — niedoen!" mompelde Phyllis, dood van den slaap.

„Gauw! Sta op!" riep Roberta. „We zijn in 't nieuwe huis — weet je 't niet meer? Geen meiden — niets. Toe, laten we gauw voortmaken en aan 't werk gaan. Wij zullen op onze teenen de trap afsluipen en alles netjes maken, voordat Moeder beneden komt. 'k Heb Peter ook al geroepen. Hij is misschien al eerder klaar dan wij."

Ze kleedden zich heel vlug en stil aan. Er was natuurlijk nog geen water op hun kamers, en dus waschten ze zich maar, voor zoover ze dat noodig vonden, onder de pomp op de plaats. Eén pompte, terwijl de andere zich waschte. 't Spatte erg, maar 't was heerlijk!

„Veel eeniger dan in een kom wasschen," vond Roberta. „Kijk '8 wat glinsterachtig dat onkruid tusschen de steenen is, en het mos op het dak — o, en de bloemen!"

Het rieten dak van de bijkeuken was heel laag en voor een groot deel met mos bedekt, waartusschen huislook en muurbloemen groeiden; ja, verder op, aan een der hoeken, stond zelfs een bosje paarse irissen.

,,'t Is hier veel, véél mooier" zei Phyllis. „Ik ben benieuwd hoe de tuin zal wezen."

„Daar moeten we nog maar niet naar toe gaan," zei Roberta, vol ijverige plannen. „We moeten binnen aan den gang.**

Sluiten