Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 26 —

Ze maakten het vuur in de keuken aan, zetten er een ketel met water op en zochten het ontbijtservies bn' elkaar; alles wisten ze nog niet te vinden, maar een glazen aschbakje kon best als zoutvaatje dienst doen en een nieuw bakbhk, voor broodschaal, als er tenminste brood kwam!

Toen ze niets meer konden bedenken, hepen ze weer naar buiten, de heerlijke frissche morgenlucht in.

„Nu gaan we den tuin bekn'ken," zei Peter. Maar hoe het zat, begrepen ze zelf niet, maar ze konden den tuin niet vinden. Ze hepen het huis om en nog eens om, maar nergens was een tuin te zien. De plaats was achter, en aan den overkant daarvan stonden een stal en een paar schuren. Aan de drie andere zijden lag het huis éénvoudig zoo maar in 't veld, zonder een straatje of een tuin, die het van het grasland er om heen, afscheidde. En toch hadden ze den vorigen avond duidelijk den tuinmuur gezien.

't Was een heuvelachtige streek. In de diepte konden ze de spoorbaan zien en den zwarten gapenden ingang van een tunnel. Over het eene einde van de vallei spande zich een brug met groote bogen.

„Wat kan ons die tuin verder schelen," zei Peter. „Laten we liever naar beneden gaan en naar het spoor kijken. Er komt misschien wel eens een trein langs."

„Die kunnen we hier ook wel zien," zei Roberta langzaam. „Laten we hier eerst eens even gaan zitten."

Ze vielen alle drie neer bn' een grooten, platten steen, die zich als 't ware uit het gras had te voorschijn gewerkt. Er lagen er zoo verscheiden tegen de heuvelhelling verspreid, en toen Moeder om acht uur kwam kijken waar ze waren, vond ze haar drietal vreedzaam tegen elkaar aan, in de zon ingedut.

Ze hadden een prachtig vuurtje aangelegd en er omstreeks half zes den ketel opgezet, zoodat tegen acht uur het vuur al een poos uit, het water allemaal verkookt en de bodem uit den ketel gebrand was. Ook hadden ze er

Sluiten