Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 33 —

gewekt. „Kom, jongens, maak nu dat je weg komt — ik héb het woest druk.''

„Moeder heeft het ook altijd druk tegenwoordig," klaagde Phyllis tegen Peter. Peter antwoordde niets. rKj haalde alleen zijn schouders even op. Hij dacht over iets na.

Die gedachten weerhielden hem echter niet lang een plan te maken voor de inrichting van een roovershol op den zolder. Peter was natuurlijk de roover, Bobbie zijn adjudant, zijn verknochte, trouwe bende en later, toen de omstandigheden dat meebrachten, de vader van Phyllis, het ontvoerde meisje, voor wie een hooge losprijs, in paardenboonen, werd uitbetaald.

Toen ze tegen theetijd naar beneden kwamen, hadden ze kleuren als vuur van 't drukke spelen.

Maar toen Phyllis jam op haar gesmeerde boterham wou doen, zei Moeder: „Jam of boter, kindje — geen jam en boter. Zoo'n roekelooze weelde kunnen we ons nu niet meer veroorloven."

Phyllis at haar boterham zwijgend op en nam er vervolgens een met enkel jam. Peter dronk, diep in gedachten, zijn slap kopje thee leeg.

Na het boterham-eten gingen ze weer naar den zolder en hier begon Peter:

„Be heb iets bedacht!"

„Wat dan?" vroegen de zusjes belangstellend. ,JJat vertel ik je niet," klonk het onverwachte antwoord.

„O, best," zei Bobbie; en Phil het er op volgen: „Goed, dan laat je 't!"

„Hè, meisjes zijn toch ook altijd dadelijk kwaad," zei Peter.

„Zoo?" — „Nou, ik zou wel eens willen weten wat jongens dan wel zijn!" zei Bobbie minachtend, ,,'t Kan me geen zier schelen wat je voor onmogelijks bedacht hebt."

„Later zul je 't wel te weten komen," zei Peter, die

Spoorweg-Kinderen. 2e dr. 3

Sluiten