Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 37 —

Toen hief de Stationschef zijn arm op, en daalde zijn sterke vuist op Peter*s schouder neer, en daar stond Peter, stevig bij zijn kraag gepakt en met een ouden aardappelzak vol kolen in zijn bevende handen.

„Zoo, heb ik je daar eindelijk gesnapt, jou kleine dief?" riep de Chef.

„Ik ben geen dief," zei Peter, zoo flink als hij kon. „De ben een mijnwerker."

„Maak dat je Grootje wijs," zei de Stationschef.

,,'t Zou precies even waar blijven, aan wie ik het ook wjjsmaakte," zei Peter.

„Daar heb je gelijk aan," zei de Chef, die hem stevig bleef vasthouden. „Maar hou jij nu liever je brutalen mond, kwajongen, en kom maar gauw mee naar mijn bureau."

„Och, toe, doet u dat toch niet!" klonk plotseling uit het duister een angstige stem die niet van Peter was.

„Toch niet naar 't po/iïie-bureau?" vroeg een andere bevende stem.

„Nog niet," zei de Chef. „Eerst mee naar 't station, 't Schijnt waarachtig een heele bende te zijn. Komen er soms nog meer?"

„Wij aüeen maar," zeiden Bobbie en Phyüis, van achter een anderen goederenwagen te voorschijn komende.

„Hoe bedenkt u 't, iemand zoo stületjes te bespieden!" riep Peter verontwaardigd.

,,'t Werd, dunkt me, hoog tijd, dat je eens bespied werd,'' antwoordde de Chef grimmig. „Kom, vooruit, naar 't station."

„O, toe, alstubheft niet!" smeekte Bobbie. „Kunt u dan hier niet dadelijk bedenken wat u ons doen zult. Want het is net zoo goed onze schuld als Peter zijn schuld. Wij hebben geholpen de kolen weg te brengen, en we wisten waar hij ze vandaan haalde."

„Dat wist je niet!" riep Peter.

„Wél waar," zei Bobbie. „We wisten het wél, maar we

Sluiten