Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 39 —

zal ik 't gebeurde door de vingers zien. Maar onthoud goed, jongmensch, dat stelen stelen büjft en het mijne niet het jouwe is, hoe 'n mooien naam jij daar ook aan weet te geven. Begrepen? Maak nu maar dat je naar huis komt."

„Meent u werkeüjk dat u ons niets zult doen? Dat is leuk van u! Dank u wel!" riep Peter opgewonden.

„Bx vind u een snoes," zei Phyllis.

„Wat is u een aardig man," zei Bobbie.

„Goed, goed!" zei de Stationschef. En zoo namen ze afscheid.

„Zeg maar geen woord tegen me," zei Peter toen ze den heuvel opgingen. „Jullie zijn eUendige spionnen en verraders — ja, dat zijn jullie!"

Maar de meisjes waren veel te bhj dat ze Peter veilig tusschen zich in hadden, op weg naar huis en niet naar het politie-bureau, dan dat het hen veel kon schelen wat hij zei.

„We vertelden immers dat wij 't net zoo goed gedaan hadden als jij!" zei Bobbie zacht.

„Nou ja — en dat was juist niet zoo."

„Voor echte rechters zou *t toch wel precies gelijk hebben gestaan," zei Phyllis. „Wees nu maar niet zoo snauwerig, Peter. Wij kunnen toch niet helpen dat je geheimen zoo makkelijk te ontdekken zijn." Ze pakte zijn arm en hij verzette zich niet.

„In ieder geval liggen er nu een massa kolen in den kelder," vervolgde hn'.

„O!" zei Bobbie verschrikt. „Daar mogen we nu toch niet bhj meer om wezen?"

„Waarom niet?" vroeg Peter, met voorgewende onverschilligheid. „Ik ben nog zoo zeker niet dat kolendelven iets slechts is."

Maar de meisjes waren er wèl zeker van. En ze wisten ook wel zeker dat Peter het zeker wist, al wilde hij het niet bekennen.

Sluiten