Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 43 —

de redacteur .van „De Kinderwereld" een verhaal geplaatst had, toen hij den Stationschef tegenkwam.

Peter voelde zich niets op zijn gemak, want hij had nu allen tijd gehad om over die kolenmijngeschiedenis na te denken. Hij durfde den Chef niet goedendag te zeggen, zooals je gewoonlijk doet wanneer je iemand tegenkomt op een stillen landweg — omdat hij over zijn heele lichaam zoo'n vreemd warm gevoel kreeg dat hem tot in zijn ooren schoot, en hn' stellig dacht dat de Stationschef niet graag zou spreken tegen iemand die kolen gestolen had. „Gestolen" is een leehjk woord, maar Peter voelde dat het toch het juiste was; hij keek dus voor zich en zei niets.

„Morgen!," zei de Stationschef toen hij hem voorbijliep, en Peter had nauwelijks „Dag mijnheer" gezegd, of hij bedacht: „Misschien herkent hn" me wel niet, anders zou hij zeker niet zoo beleefd zijn."

Dat vond Peter niets geen prettig idee, en eer hij recht wist wat hij deed, vloog hij den Stationschef achterna die wachtte, toen hij Peter's haastige stappen achter zich hoorde.

„Ik wou liever niet dat u beleefd tegen me was, als u me niet herkent als u me ziet," bracht Peter er verward, ademloos en vuurrood uit.

„Wat zeg je?" vroeg de Chef verbaasd.

„Ik dacht dat u misschien niet wist dat ik die kolen had weggenomen toen u goeien morgen zei," vervolgde Peter. „Maar ik was het wel geweest en het spijt me erg. Wezenlijk."

„Wel, jongen," zei de Stationschef, „ik dacht volstrekt niet meer aan die kolen, hoor! Dat is vergeven en vergeten. Waar moest je zoo haastig op af?"

„Krentenbroodjes halen voor bij de thee," vertelde Peter.

„En ik dacht dat jullie zoo arm waren," zei de Chef. „Dat zijn we ook," zei Peter vertrouwelijk, „maar ziet

Sluiten