Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 47 —

door ze plaatskaartjes verkoopen — om een praatje met hen te maken, en hij was heel vroohjk en aardig.

„Net of Peter nooit zijn kolenmijn ontdekt had," fluisterde Phyllis Bobbie in.

H\j gaf hun elk een sinaasappel en beloofde hun dat hu' hen alle drie eens mee zou nemen om het seinhuis te bekijken, zoodra hn' 't eens wat minder druk had.

Er kwamen verscheiden treinen langs, en Peter merkte voor 't eerst van zijn leven op dat locomotieven nommers hebben, net als auto's in de stad.

„Ja," zei de kruier, „ik heb een jongeheer gekend die aUe nommers van alle machines die hn' zag, opschreef; hn' had er een mooi groen leeren boekje voor, met zilveren hoekjes, want zie je, zijn vader had een groothandel in schrijfbehoeften en zoowat."

Peter dacht bij zichzelf dat hij die nommers ook best kon opschrijven, al was hij niet de zoon van een groothandelaar in schrijfbehoeften. En daar hij niet onmiddellijk een groen leeren boekje met zilveren boekjes bn' de hand had, gaf de kruier hem een gele envelloppe en daar schreef hn' alvast op:

379 663

overtuigd dat dit het begin was van een hoogst belangrijke verzameling.

's Avonds onder de thee vroeg hij zn'n moeder of zij niet een groen leeren boekje met zilveren hoekjes voor hem had. Moeder bezat er geen, maar toen ze hoorde waar hn' 't voor gebruiken wou, gaf ze hem een klein zwart leeren.

„Er zijn wel een paar blaadjes uitgescheurd," zei ze, „maar er kunnen toch een massa getallen in, en als het vol is, heb ik er misschien nog wel een voor je. Maar loop vooral niet op de spoorbaan."

„Ook niet als we met het gezicht naar den trein toe

Sluiten