Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 48 —

staan?" vroeg Peter, na een sombere stilte, waarin de kinderen elkander teleurgesteld aankeken.

,,Neen — heelemaal niet," zei Moeder. Toen vroeg Phyllis: „Moeder liep u nooit op de rails toen u klein was?"

Moeder was een ware, eerlijke moeder en moest dus „ja" antwoorden.

„Nou, dan —" begon Phyllis.

„Maar Kevelingen, jullie weet niet hoeveel ik van jullie houd. Wat zou ik beginnen als jullie eens een ongeluk overkwam?"

„Houdt u dan nog meer van ons dan Oma van u hield, toen u klein was?" vroeg Phyllis. Bobbie wenkte haar, dat ze niet verder moest gaan, maar Phyllis begreep nooit een wenk, hoe duidelijk die ook mocht wezen. Een oogenblik antwoordde Moeder niet. Ze schonk water op den trekpot.

„Niemand," zei ze eindelijk, „kan ooit meer van haar kind houden, dan Grootma van mij hield."

Toen was ze weer stil, en Bobbie gaf Phyllis een schopje onder de tafel, omdat zij wel begreep waarom Moeders gedachten haar zoo stil maakten — de gedachten aan den tijd toen moeder zelf een klein meisje was en het heele geluk uitmaakte van haar moeder. Bobbie kon zich wel voorsteUen dat groote-menschen, tóch nog met alles naar hun moeder loopen, ook al zijn ze zelf al tamelijk oud, en het leek haar vreeselijk om verdriet te hebben, en geen moeder die je troosten kan.

Daarom gaf ze Phyllis een stootje, maar Phyllis riep: „Waarom schop je me toch Bobbie?"

En toen glimlachte Moeder, zuchtte even, en zei: „Nu goed dan, als jullie me maar belooft dat je goed oplet van welken kant de treinen komen — en loop niet op de rails bij den tunnel of dicht bij bochten."

„Treinen houden ook rechts," zei Peter, „als wij dus links houden, zien we ze altijd aankomen."

„Goed," zei moeder weer, en ik wed dat de kinderen

Sluiten