Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 61 —

met de treinen in verband stond, vriendelijk tegen hen geweest was — de Stationschef, de kruier en de oude heer —, en de menschen op het kanaal waren juist alles behalve vriendehjk.

De menschen op het kanaal waren natuurlijk de schippers die de schuiten langzaam voortboomden, of naast de oude paarden hepen die, terwijl ze gaten en kuilen in het modderige jaagpad trapten, de schuiten aan lange touwen voorttrokken.

Peter had eens aan een van die schippers gevraagd hoe laat het was en ten antwoord gekregen: „Uit den weg, vooruit, gauw wat!" op een toon zóó nurksen, dat hij 't niet eens durfde wagen te antwoorden dat Inj evenveel recht had op het voetpad te loopen als de schuitevoerder zelf. Hij dacht er zelfs niet aan, eer het al veel te laat was.

Op een anderen keer, toen de kinderen eens in 't kanaal wilden gaan visschen, was er een groote jongen op een der schuiten die met stukken steenkool op hen mikte, en één stuk raakte Phyllis net achter in haar hals, toen ze gebukt stond om haar veter vast te strikken, 't Deed wel geen erge pijn, maar de aardigheid was toch van 't visschen af.

Op de brug voelde Roberta zich evenwel volkomen veilig; ze kon er rustig uit de hoogte op het kanaal neerzien, en als een schippersjongen maar door één enkele beweging toonde dat hij er over dacht haar te gooien, kon ze onmiddellijk achter de borstwering duiken.

Opeens hoorde ze het geluid van wielen, iets waar ze juist op gehoopt had.

Het waren de wielen van het dokterskarretje en in het karretje zat natuurlijk de dokter.

Hij hield zijn paard in en riep haar toe: „Goeden middag, hoofdverpleegster. Rn'd je een eindje mee?"

„Graag," zei Bobbie, „want ik wou u iets vragen."

Geen narigheid thuis? Moeder toch goed, hoop ik?" vroeg de dokter.

Sluiten