Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 80 —

en de Chef deed de deur voor de neuzen dicht van de nog steeds verzamelde menigte die een poosje voor het loket stond te redeneeren en naar de gesloten deur te gluren en daarna eindelijk bn' tweeën en drieën wegtrok.

In het bureautje van den Chef hield Bobbie nog steeds de hand van den reiziger vast en bleef ze zijn mouw streelen.

„Een vreemd geval,'' zei de Stationschef; „geen plaatsbiljet; weet zelfs niet te zeggen waar Inj heen moet. Ik denk toch dat ik maar eens om de politie zal sturen."

„Hè, neen, niet naar de politie!" pleitten de drie kinderen tegelijk, en opeens schoof Bobbie tusschen de anderen en den vreemdeling in, want ze zag dat hij schreide.

Door een buitengewoon gelukkig toeval had ze een zakdoek in haar zak; door een nog buitengewoner toeval was die zakdoek tamelijk schoon. Voor den onbekende staande, duwde ze hem vlug haar zakdoek in de hand, zoodat de anderen het niet merkten.

„Wacht u toch tot Moeder komt," zei Phyllis, „die praat zóó mooi Fransch! Dat zult u eens hooren!"

„Be wed vast en zeker dat hn" niets gedaan heeft waarvoor Inj in de gevangenis gestopt behoeft te worden," zei Peter.

„Dat zie ik nog niet zoo duidelijk in," zei de Chef. „Maar ik zal mijn oordeel opschorten, tot je Mama komt. Be zou wel eens wiUen weten wat voor landsman dat is!"

Toen kwam Peter op een idee. Hq haalde een envelopje uit zijn zak en liet den Chef zien dat het half vol vreemde postzegels zat. „Als we hem die eens heten knken —"

„Prachtig!" riep Bobbie, die met blijdschap gezien had dat de vreemdeling haar zakdoek gebruikte.

Peter hield hem een Italiaansche postzegel voor en wees van de postzegel op den man, en van den man naar de postzegel, terwijl hn" zijn wenkbrauwen vragend optrok. Maar de vreemde sinjeur schudde het hoofd. Toen heten

Sluiten