Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 97 —

„Maar de trein zou ons niet zien, voor hij om de bocht was, en dan zou hij den hoop net zoogauw zien als ons," zei Phyllis; „nog veel beter, eigenlijk, want die is veel grooter dan wij."

„Als we maar iets roods hadden," herhaalde Peter, „dan konden we in de bocht gaan staan en zoo waarschuwen."

„Laten we in elk geval maar zoo hard wuiven en met onze armen zwaaien als we kunnen,'' stelde Phyllis voor.

„Och, dan denken ze natuurlijk dat wij 't alleen maar zijn, net als altijd. Ze zijn er zoo aan gewend. Maar in ieder geval moeten we toch naar beneden," zei Bobbie.

Ze klommen de moeilijke, steile rotstrapjes af, Bobbie met bleeke wangen en triUende beenen. Peter met vast op elkaar geklemde lippen, 't Was net of zijn gezicht opeens magerder was geworden, dacht Bobbie. Phyllis zag vuurrood en had de pareltjes angstzweet onder de krulletjes op haar voorhoofd staan.

„O, pf, wat heb ik 't stikkend!" zuchtte ze, „en ik dacht juist, dat het koud zou zn'n. Hadden we maar niet

onze fl " — ze hield plotseling op en vervolgde toen

op geheel veranderden toon — „onze flanellen rokjes aan!"

Bobbie, al onder aan de trap, keerde zich opeens om.

— „Ja!"' juichte ze bijna; — „die zijn rood! Laten we ze gauw uittrekken."

Zoo gezegd, zoo gedaan, en met hun rokjes in een rolletje onder den arm, draafden ze de spoorbaan op, om den berg van steenen, aarde en geknakte takken en boompjes heen. Ze holden zoo hard ze konden, Peter voorop, maar de meisjes hem vlak op de hielen, en stonden niet eerder ademloos stil, voor ze de bocht bereikt hadden, die den zandhoop — op het lange, rechte eind, dat er achter lag — aan het oog onttrok.

„Ziezoo," zei Peter, den grootsten rok beetpakkende.

„Je gaat hem toch niet —" begon Phyllis, nog hijgend — „toch niet — kapotscheuren?"

„Hou je mond!" zei Peter kortaf.

Spoorweg-Kinderen. 2e dr. 'J

Sluiten