Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—111 —

hebben. — Moeder heeft gezegd dat dat nooit meer mocht, en we hebben ook geen dingen noodig, ziet u. 't Is alleen maar iets over een banneling.

Uw liefhebbend vriendinnetje Bobbie."

Ze verzocht den Chef haar brief aan den oifden heer te overhandigen en vroeg Peter en PhyUis den volgenden dag met haar naar 't station te gaan, tegen den tijd waarop de oude heer altijd uit Londen terugkwam.

Toen ze hun verteld had wat ze van plan was, vonden ze het prachtig bedacht.

Ze hadden aUe drie hun gezichten en handen gewasschen en hun haar opgeborsteld, zoodat ze er keurig netjes uitzagen in hun eigen oogen. Maar PhyUis, die altijd ongelukken had, kreeg op 't laatste oogenblik een heel glas limonade over haar jurk. Er was geen tijd meer om een schoone aan te trekken, en daar de wind kwam van den kant van het kolendepót, was de jurk gauw bestoven met donkergrijze poeier, dat op de Hmonadevlekken vastkleefde, en er haar deed uitzien „als een smerig straatkind", zooals Peter verontwaardigd zei.

Er werd daarom besloten dat ze zich zooveel mogelijk achter de anderen zou schuilhouden.

„Misschien ziet onze oude heer 't wel niet," zei Bobbie. „Oude menschen zijn meestal slecht van gezicht."

De oude heer verried echter geen spoor van zwakheid, zoomin wat zijn gezicht als wat iets anders betrof, toen hij vlug en flink uit den trein stapte en het perron open afkeek.

Nu het er op aankwam, kregen de kinderen alle drie dat beklemmende gevoel van verlegenheid, dat zoo opeens door je heen vUegt, je ooren gloeiend, je handen klam en het puntje van je neus rood en glimmend maakt.

Sluiten