Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 113 —

„En nu zouden we toch zoo dol, dolgraag zjjn vrouw en zijn kinderen voor hem terugvinden," zei Bobbie, „maar we kunnen maar niet bedenken hoe. Maar omdat u zoo heel knap is — anders kon u toch geen Directeur van het spoor zijn — dacht ik, als u er eens iets aan doen kon — en wou? Dat zouden we nu nog veel liever willen dan alle andere dingen. We zouden onze horloges graag terug wülen geven, als u die misschien verkoopen kon en met dat geld zijn vrouw en zjjn kinderen kon opsporen."

Dat zeiden de twee anderen ook, hoewel niet met zooveel vuur.

„Hm," zei de oude heer, zijn wit vest met vergulde knoopen aftrekkend; „hoe zei je ook weer dat zijn naam was — Zevenpansky?"

„Neen, neen," zei Bobbie ernstig. „Be zal 't eens voor u opschrijven. Je schrijft het héél anders dan je 't uitspreekt. Heeft u misschien een potloodje en den achterkant van een enveloppe?" vroeg ze.

De oude heer haalde een gouden zakpotlood te voorschijn en een mooie portefeuüle van Russisch leer, die heerlijk rook, en sloeg een schoon blaadje voor haar open.

„Hier," zei hn", „schrijf het hier maar op."

Bobbie schreef „Szezcpanskie" en act: „Zoo schrijf je 't, maar je zégt Sjeepanskie." Toen nam de oude heer een gouden bril uit een bruin huisje, en zette die secuur op zyn neus, en zoodra hij den naam gelezen had, riep Inj verrast uit: „Die man? Groote Goedheid, dan heb ik zijn boek gelezen 1 't Is in aUe talen van Europa vertaald — een mooi boek, een nobel boek! En heeft je moeder hem in haar huis opgenomen als de barmhartige Samaritaan? Wel, wel! Bc zal juüie eens wat zeggen, jongelui: ik geloof dat jullie een puikbeste moeder hebt, is 't niet?"

„Natuurlijk!" zei PhyUis verwonderd.

„En u is een puikbeste man," zei Bobbie, dood-confuus, maar vastbesloten beleefd te zijn.

„U vleit me," zei de grappige oude heer, terwijl hij

Spoorweg-Kinderen. 2e dr. 8

Sluiten