Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 115 —

„Ja," zei Phyllis.

„Erg hef van je, dat je zoo voor mq zorgt, hoor," zei de oude heer. „Erg hef."

„Maar Phyllis," zei Bobbie, „je had toch wel een kopje en een bordje kunnen krijgen!"

„Perks drinkt altijd thee uit een bierkan," zei PhyUis met een kleur. „Ik vond het al erg aardig van hem dat hij 't m\j gaf, zonder kopje of bordje," voegde ze er bij.

„Ja, dat vind ik ook," zei de oude heer, en hij dronk wat van de thee en proefde het brood even.

En toen was het tijd voor den volgenden trein, en na een hartelijk afscheid met veel handen-gegeef en gewuif en goeie-reis-geroep, reed hn" weg.

„Nou," zei Peter, toen ze alleen op het perron waren achtergebleven en de trein om den hoek verdween, ,4k geloof zeker, dat dat een goed idee van ons geweest is, Bob! Wie weet hoe gauw we een vreugdevuur voor onzen Rus kunnen aansteken."

En dat was ook zoo.

Geen tien dagen later zaten de kinderen bovenop het hoogste rotsblok in het veld om den trein van 5.15 door de vallei te zien wegstoomen. Ze zagen ook de reizigers, die aan hun station waren uitgestapt den steüen weg naar het dorp opzwoegen — en ze zagen hoe één van hen den grooten weg verliet, om het hekje open te maken, dat, dwars door het veld, naar „Spoorzicht", en naar niets anders, voerde.

„Wie komt daar aan!" riep Peter, van de rots glijdend.

„Laten we 's gauw gaan kijken," stelde PhyUis voor.

Dat deden ze, en toen ze dicht genoeg genaderd waren om den wandelaar te kunnen herkennen, zagen ze dat het hun eigen oude heer was. Zijn koperen knoopen flikkerden in den namiddagzon en zijn wit vest leek witter dan ooit tegen het groene veld.

„Da — ag!" riepen de kinderen, uit alle macht wuivende.

Sluiten