Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 123 —

bleven boven aan staan, om, zoodra hun broer buiten gevaar was, naar huis te hollen. De weg naar „Spoorzicht" liep aldoor af, en ze waren alle drie bazen in 't hard loopen, wat de schipper stellig wel niet zou wezen. Hij zag er veel te dik en te rood en te vleezig voor uit.

Maar zoodra zyn voeten het jaagpad raakten, merkten de kinderen dat ze hem verkeerd beoordeeld hadden.

Met één sprong was hy een flink eind tegen de helling op, greep Peter by een been, trok hem naar beneden, schudde hem ruw door elkaar, zette hem toen overeind en zei barsch, terwijl hij hem by een oor vasthield: „Nou, baasje, wat heb je nou te vertellen, hè? Weet je soms niet dat dit water verpacht is en je geen recht hebt hier visch te vangen — zeg? En wat beteekent die brutahteit?"

Later was Peter er altijd trotsch op dat hy, terwijl de vingers van den woedenden schipper in zyn oor knepen, zyn dik vuurrood gezicht zoo dicht by Peter kwam dat hy den warmen adem voelde — tóch had durven zeggen: „Ik heb geen visch gevangen!"

„Jouw schuld zeker, hè, ondeugende aap!" zei de schipper, Peter aan het oor trekkende, niet zoo héél hard, maar Peter voelde het toch goed.

Peter zweeg: het wijste dat hy doen kon. Boven, achter de afrastering stonden Bobbie en PhyUis, springend van ongeduld, angstig naar beneden te kijken. Maar nu kroop Bobbie plotseling onder het ijzerdraad door en gleed met zoo'n vaart naar beneden, naar Peter, dat PhyUis, die wat langzamer volgde, niet anders verwachtte dan dat haar zusje in 't water zou terechtkomen. En dat zou ook gebeurd zyn, als de schipper niet juist bijtijds Peter's oor had losgelaten en haar in zyn „getruide" armen had opgevangen.

„Wou jy er je ook mee bemoeien?" vroeg hy barsch, terwijl hy haar op haar voeten plantte. „O," zei Bobbie ademloos. „Be wou niet — ik bedoelde

Sluiten