Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 146 —

„Perks, dat mag je niet zeggen! O 't is vreesehjk!" „Juist myn meening ook," bromde Perks, zonder zich om te keeren.

„Maar," begon Bobbie opnieuw, bijna ten einde raad, „we zuEen natuurUjk weggaan, als je dat verlangt — en je hoeft ook niet langer goeie vrienden met ons te wezen, als je niet wüt, maar —"

„Wij bhjven toch altijd vrienden van jou, hoe naar of je ook tegen ons bent," snikte Phyllis hartstochtelijk.

„Hou je toch stil," zei Peter knorrig.

„Maar voor we weggaan moet je toch nog de papiertjes zien, die we bn' de cadeautjes geschreven hadden," bedacht Bobbie.

„Bc heb niks niemendal met jullie papiertjes te maken. Denk jullie soms dat ik al die jaren hard gewerkt en mijn plicht gedaan heb, en zy nog wasschen in huis heeft aangenomen, om me door de heele buurt te laten bepraten en uitlachen."

„Uitlachen?" vroeg Peter. „Maar je weet niet eens hoe —"

,,Jn' bent ook altijd zoo gauw kwaad," schreide Phyllis klagend. „Vroeger ben je ook al eens zoo onrechtvaardig tegen ons geweest, omdat we je dat geheim van den Bussischen heer niet verteld hadden. Laat Bobbie je nou die briefjes eens voorlezen!"

„Mij goed, ga je gang," gromde Perks.

„Ja," zei Bobbie, ,4k heb —" en ze grabbelde gejaagd in haar voBen zak — „ik heb alles opgeschreven wat iedereen zei, toen ze ons de dingen gaven, met de namen van de menschen er bij, want Moeder zei dat we voorzichtig moesten wezen — omdat — maar ik heb het opgeschreven en je zult het hooren."

Maar Bobbie was nog niet dadehjk in staat de bijschriften te lezen; ze moest wel een paar maal iets wegslikken eer ze kon beginnen.

Van het oogenblik af waarop haar man de deur van

Sluiten