Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 158 —

grond, 't Was warm, rood bloed; en toen zijn kous ook uit was, bleken er drie roode wondjes in Peters voet en enkel te zijn, waar de tanden van de hark er in waren gedrongen; zn'n heele voet was met roode smeren bedekt.

„Haal gauw water — een kom vol!" riep Moeder, en Phyllis vloog naar huis. In haar haast morste ze een groot gedeelte van het water uit de kom en moest ze er nog een kan vol bijhalen.

Peter sloeg zyn oogen niet op, voordat Moeder haar zakdoek om den voet had gebonden, en zy en Bobbie hem naar binnen hadden gedragen en op de rustbank in de eetkamer neergelegd. Ondertussohen was Phyllis al halverwege het huis van den dokter.

Moeder zat bij Peter en wiesch zyn voet en praatte met hem, en Bobbie zette water op om gauw voor thee te kunnen zorgen.

„Be kan niets anders doen," zei ze by zichzelf. „O! — als Peter eens doodging, of zyn levenlang kreupel moest blijven, of op krukken moest loopen, of met zoo'n dikke zool onder zyn voet, net of 't een blok hout is!"

Bobbie stond by de achterdeur, terwijl ze over al die sombere mogelijkheden nadacht, haar oogen gevestigd op de regenton.

„Was ik maar nooit, nooit geboren!" barstte ze ten slotte uit.

„Wat is dat voor moois?" vroeg een stem, en Perks stond voor haar met een plat mandje vol kleine, groene plantjes en zachte teelaarde.

„O, ben jy het!" zei Bobbie verlicht. „Peter heeft zyn voet bezeerd met een hark — drie groote, gapende wonden, zooals soldaten ze krijgen; en 't was eigenlijk myn schuld."

„Dat kan 'k haast niet gelooven," zei Perks. „Moest de dokter er aan te pas komen?" „Phyllis is naar hem toe."

„Kom, hy zal wel gauw weer klaar zyn; help me

Sluiten