Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 165 —

„Iets gebroken, denk ik," zei Peter, „maar daar hoeft ze zich anders niet zoo naar over te maken. Moeder maakt toch nooit standjes over een ongeluk. Hoor! Ja, ze gaan naar boven. Ze neemt Moeder mee om het te laten zien, — zeker die groote waterkan met de ooievaars er op — o, jé!"

In de keuken had Bobbie Moeders hand gevat, zoodra deze het theeblad had neergezet. „Wat is er?" vroeg Moeder.

Maar Bobbie zei aUeen maar: „Och, toe," komt u even mee naar boven, waar niemand ons hooren kan."

Toen ze alleen met Moeder in haar kamer was, deed ze de deur op slot en stond toen onbeweeglijk stil, zonder woorden te kunnen vinden.

Onder het theedrinken had ze aldoor bedacht wat ze zeggen zou, en ze was tot het besluit gekomen dat „Be weet aUes", of „Alles is mij nu bekend", of „Be heb het vreesehjke geheim ontdekt" het beste zou wezen, maar nu, nu zij en Moeder en dat afschuwelijke stuk courant alleen met elkaar in de kamer waren, voelde ze dat ze niets kon zeggen.

Plotseling haar armen om Moeders hals slaande, barstte ze in snikken uit, en nog kon ze geen andere woorden vinden dan: „O, Moekie, o, Moeide!" telkens weer.

Moeder hield haar stijf tegen zich aan en wachtte, maar na een oogenblik rukte Bobbie zich van haar los en liep op haar toe om een papier onder de matras vandaan te balen. Ze hield het haar moeder voor en wees met een bevenden vinger op haar vaders naam.

„Kind!" riep Moeder, toen ze met één vluchtigen blik gezien had wat het was, „je gelóóft het toch niet? Je gelóóft toch niet, dat Vader het gedaan heeft?"

„Neen!" Bobbie schreeuwde het 'bijna uit. Nu schreide ze niet meer.

„Goddank !" zuchtte Moeder. „Het is niet waar wat daar in staat. Vader zit in de gevangenis, maar hij heeft niets

Sluiten