Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 167 —

„Wat moet hij zich al dien tijd ellendig hebben gevoeld — en nog!" zei Bobbie peinzend.

„Ik geloof dat die man geen gevoel heeft," antwoordde Moeder heftig. „Hoe kon hij anders zooiets misdadigs gedaan hebben!"

„Misschien had hij ze wel gauw in Vaders lessenaar gestopt, toen hij merkte dat hij betrapt zou worden," bedacht Bobbie. „Maar waarom vertelt u, of iemand anders nu niet aan die advocaten en die rechters, dat die andere man het gedaan heeft? Niemand zal Vader toch wel expres kwaad hebben wülen doen, hè?"

„Be weet het niet, kind — ik weet het niet. De man onder Vader, die hem in zijn betrekking opvolgde, was altijd jaloersch op Vader, omdat die zooveel knapper was dan hij en iedereen zooveel van Vader hield. En Vader heeft dien man nooit vertrouwd."

„Kunnen we dat niet eens allemaal duidelijk aan iemand van de rechtbank uitleggen?"

„Niemand hecht er geloof aan," zei Moeder bitter, „niemand. Je begrijpt toch wel, lieve kind, dat ik alles in 't werk heb gesteld? Neen, er schijnt niets meer aan te doen. Al wat we doen kunnen — jij en ik en Vader — is, heel dapper en heel geduldig te zn'n tot "

„Moeder, u is eigenhjk erg mager geworden," zei Bobbie opeens. „Wel een beetje, ja."

„En ik geloof," vervolgde Bobbie met vuur, „dat u het moedigste en het liefste mensch op de heele wereld is!"

„Nu zullen we er niet meer over spreken, beste," zei Moeder, „we moeten het eenvoudig zoo fhnk mogelijk dragen. En, heveling, tracht het vooral van je af te zetten. Probeer zoo vroohjk mogelijk te wezen en pret te maken, net als de anderen, 't Maakt het voor mij veel gemakkelijker als ik zie, dat jullie plezier hebt en je gelukkig voelt. Ziezoo, wasch nu eens even je behuild gezicht, en dan gaan we samen een oogenblikje in den tuin wandelen."

Sluiten