Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 169 —

Ze knipte het verslag van de terechtzitting met Moeders groote schaar uit en deed het met haar brief in de enveloppe.

Toen bracht ze die naar het station, de achterdeur uitvliegende en zoo naar den grooten weg toe, uit angst dat de anderen haar zouden zien en aanbieden mee te gaan, en ze gaf den brief aan den Chef, met verzoek dien den volgenden morgen aan den ouden'heer te overhandigen.

„Waar ben je gewéést?" schreeuwde Peter haar boven van den tuinmuur toe, waarop hn' en Phyllis zaten.

„Naar 't station natuurlijk. Help me een handje, Peter."

Ze zette haar voet op het slot van de tuindeur en Peter stak haar zn'n hand toe.

„Wat hebben jullie uitgevoerd" vroeg ze, zoodra ze naast hen was aangeland — want Peter en Phyllis zagen er buitengewoon smerig uit. Tusschen hen in lag een klomp vochtige klei, ze hadden elk een stuk in hun modderige rechterhand, en naast Peter, veilig ver op zn' geschoven, lagen verscheiden wonderlijke ronde gevalletjes, iets als heel dikke saucijsjes, bol maar aan eenen kant ingedrukt.

„Dat z\jn nestjes," zei Peter, „zwaluwnesten. We gaan ze in den oven drogen en hangen ze dan met touwtjes op, onder den dakrand van het koetshuis."

„Ja," zei Phyllis; „en dan gaan we alle haartjes en eindjes wol, die we maar vinden, opsparen, om de nestjes in 't voorjaar mee te voeren. Wat zullen die zwaluwen blij zijn, hè?"

„Menschen doen meestal veel te weinig voor de dieren," zei Peter met een ernstig, braaf gezicht, ,,'t Is eigenhjk wel vreemd, dat er nog nooit eerder iemand op het idee is gekomen, nesten voor die arme zwaluwen te maken."

„O," zei Bobbie droomerig, „als iedereen altijd aan alles dacht, zou er niets voor iemand anders overblijven om aan te denken."'

„Kijk 's, hoe leuk we de nestjes gemaakt hebben!" riep

Sluiten