Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Wat Bobbie mee thuisbracht

De smeekbeden der kinderen werkten nog niet veel uit De uitgeputte hond in de roode trui bleef maar steeds doodsbleek en met gesloten oogen tegen den wand van den tunnel geleund.

„Maak zijn ooren een beetje nat," ried Bobbie aan. „Be weet zeker dat ze dat wel eens doen bn' flauwgevallen menschen — met eau de cologne dan. Maar melk zal denk ik wel net zoo goed zijn."

Ze maakten dus zün ooren nat en een straaltje van de melk Hep in rijn hals onder de roode trui 't Was erg donker in den tunnel; Peter's kaarsje, dat nu op een platten steen stond te branden, gaf hg na geen licht

„Och, Iqjk toch eens op!" smeekte Phyllis half schreiend. „Och toe — ik geloof wezenhjk dat Inj dood is."

„Neen," zei Bobbie, „dood is hij niet"

,Jk weet niet wat we beginnen moeten,'' zei Peter, en ten einde raad, schudde Inj den patiënt zachtjes' bn een arm.

Toen zuchtte de jongen plotseling, sloeg de oogen op, deed ze weer dicht zuchtte nog eens heel diep, en zei met een zachte stem: „Laat los!" '

„O, hü 's niet dood!" riep Phyllis. „Dat wist ik ook wel," en ze barstte in schreien uit

„Wat is er gebeurd?" vroeg de jongen. „Ik ben best" , »Drink eens." zei Peter, zoo vast mogehjk, en hü hield den jongen de flesch voor den mond. De jongen wilde niet

Sluiten