Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 206 —

„Ja," zei Moeder, „ik geloof het stellig — tenminste bijna altijd; alleen wel eens niet, als ik zóó bedroefd ben dat ik niets meer gelooven kan. Maar zelfs dan nog, weet ik dat het waar is en tracht ik het altijd weer te gelooven. Ziezoo, vent, breng jij de brieven nu even naar de post en laten we ons niet naar maken. Moed, moed! Dat is wel de beste van alle deugden! De denk dat Jim hier in elk geval nog wel veertien dagen bhj ven zal."

't Overige deel van den avond gedroeg Peter zich zoo engelachtig vond Bobbie, dat ze heusch bang was dat hij ziek zou worden, en ze voelde zich bijna verlicht toen ze hem den volgenden morgen bezig zag Phyllis' haar aan haar stoelleuning vast te knoopen.

Even na het ontbijt werd er aan de deur geklopt. De kinderen waren druk bezig, ter eere van Jim, de koperen kandelaars te poetsen.

„Daar zal de dokter zijn!" zei Moeden „Bc zal wel opendoen; doe de keukendeur maar dicht, jullie kunt zóó niet voor den dag komen."

Maar het was de dokter niet; dat hoorden ze wel aan de stem en aan het geluid van de laarzen die de trap opgingen; het geluid van die laarzen kenden ze niet, maar ze waren alle drie zeker, dat ze die stem wel kenden.

Gedurende een vrij langen tijd hoorden ze niets; de laarzen en de stem kwamen niet weer beneden.

„Wie zou het toch kunnen wezen?" vroegen ze zichzelf en elkaar telkens af.

„Misschien," bedacht Peter eindelijk, „is dr. Forrest wel door roovers aangevallen en voor dood blijven liggen, en dat dit de man is dien ze getelegrafeerd hebben om de practijk waar te nemen. Juffrouw Viney zei dat er ook altijd iemand kwam als de dokter vacantie nam, is 't niet, juffrouw?"

„Ja, kind," zei juffrouw Viney, uit de bijkeuken. „Misschien heeft hij wel een toeval gekregen," zei Phylhs, „en kan geen menschelijke hulp meer baten, en dan

Sluiten