Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 208 —

Hun eigen Oude Heer.

„Hoe kan dat nou?" riep Peter, even voordat Inj zei: „Dag meneer."

Zooals Inj later uitlegde was hij te verrast geweest om zich ook maar te herinneren, dat er zooiets als beleefdheid bestond.

„Onze eigen oude meneer!" juichte Phyllis.

„O, is u het!" riep Bobbie uit, en toen bedachten ze dat ze niet heel beleefd waren, en zeiden zij behoorlijk goeden dag.

„Dit is Jim's grootvader, mijnheer —" zei Moeder, den naam van den heer noemende.

„Wat eenig leuk!" zei Peter; „dat is nu net precies als in een boek, hè, Moeder?"

„Ja," zei Moeder glimlachend; „soms gebeuren er in 't werkelijke leven wel eens dingen, die net zijn als in boeken."

„Bi ben toch zoo vreesehjk bhj, dat u het juist is," zei PhyBis. „Als je bedenkt hoe 'n massa oude heeren er in de wereld zijn — zou het net zoo goed iemand anders hebben kunnen wezen."

„Maar mijnheer," vroeg Peter, „u komt Jim toch niet weghalen?"

„Nog niet," zei de oude heer. „Je moeder is zoo vriendelijk geweest er in toe te stemmen, dat hij hier blijft. Bi was eerst van plan een verpleegster te sturen, maar je moeder wil hem zelf verplegen, wat ik bizonder waardeer."

„Maar haar schrijfwerk dan?" had Peter al gevraagd eer iemand het kon voorkomen. „Als Moeder niet schrijft, hebben we niets te eten."

„Dat is al geschikt," zei Moeder.

De oude heer keek Moeder erg vriendelijk aan.

„Ik zie," zei hij, „dat u uw kinderen vertrouwt en in vertrouwen neemt."

„Natuurlijk," zei Moeder.

Sluiten