Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 214 —

broers Paley op Jim's school, waarvan de jongste „Paley Drie" genoemd werd.

Peter hoorde al die verhalen met groot genot aan en Moeder scheen er ook belangstellend naar geluisterd te hebben, want op een keer gaf ze Jim een velletje papier, waarop ze een rijmpje over Jacob Parr gemaakt had en waarin Paley en Wigsby ook te pas waren gebracht. Jim vond het „ontzettend leuk"; hn' had nog nooit een versje bezeten, dat iemand bepaald voor hem gemaakt had. Hjj leerde het uit het hoofd en stuurde het toen aan Wigsby. Het heette:

De nieuwe Jongen.

Zijn voornaam „Jacob" zei hij daadlijk Den eersten middag aan de thee, Hij drinkt dan zoet zijn beker melk En doet nooit aan iets lolligs mee.

Hij 's doodsbenauwd voor natte voeten, Trekt altijd overschoentjes aan, En spreekt bij 't Fransch precies mesjeu na, Al in de piep voor 't overgaan.

Zün „Pa" komt 't ventje trouw bezoeken, Zijn oudste zus knipt zelf zijn haar, Waagt hij 't op 't voetbalveld te komen, Dan word je van zijn schoppen naar.

Om bij den „baas" een pluim te krijgen, Likt hij hem vaak tot walgens toe; In Juni laat hij pas zijn jas uit, Hij mag niet eerder van zijn „Moe."

Met Paley Drie durf d' hij niet vechten, Druipstaartend koos hij 't hazenpad, Hij kan nóg niet ons clublied fluiten, Elk laat hem schieten, dat is glad!

Sluiten