Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 216 —

gevoel alsof er in dat opzicht iets niet in den haak was, een gevoel dat Phylhs op een morgen uitte door te zeggen: „Zou de spoorbaan ons ook missen? We komen er tegenwoordig haast nooit meer."

,,'t Lijkt wel erg ondankbaar," zei Bobbie; „toen we niets beters hadden, gingen we er zoo dolgraag heen."

„Perks komt telkens eens naar Jim vragen," zei Peter, „en het kind van den seinwachter is beter geworden; dat heeft hij me verteld."

„Bc vind niet aardig," zei Bobbie op dien vierden dag, een Dinsdag, „dat we niet meer naar den trein van "9.15 gaan kijken om de groeten aan Vader mee te geven."

„Laten we er vanmorgen weer mee beginnen," stelde Phyllis voor. En zoo gebeurde het.

De groote verandering, die er had plaats gehad door de komst van de dienstmeisjes en doordat Moeder voorloopig niet meer schreef, deed de dagen veel langer schijnen dan vroeger, toen ze voor allerlei te zorgen hadden; zooals dien eersten morgen, heel in 't begin, toen ze zoo extra vroeg waren opgestaan en de bodem uit den ketel was gebrand, en ze appeltaart aan 't ontbijt hadden gegeten, en voor 't eerst de spoorbaan zagen.

't Was nu September, en het gras op de helling naar de spoorbaan toe werd dor en droog. Lange, fijne grashalmen stonden als stukjes koperdraad overeind, teere, blauwe klokjes beefden op hun taaie, slanke stengeltjes, paarse kattenstaarten staken hun torentjes in de lucht, en de goudgele sterretjes van het St Janskruid schitterden nog langs den rand van den poel, halverwege tusschen het huis en de spoorbaan. Bobbie plukte een paar handenvol van de veldbloemen, denkende hoe mooi ze zouden staan op het kleurige zijden dekentje, waarmee Jim's gebroken been nu luchtig bedekt was.

„Maak voort 1" riep Peter, „of we missen hem nog!"

„Bc kan niet gauwer," zei Phylhs. „Ajakkes, daar gaat mijn veter alwéér los!"

Sluiten