Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 220 —

Onderweg kwam ze de oude juffrouw uit het postkantoortje tegen die haar riep en haar een kus gaf, maar tot Bobbie's verbazing niet anders zei dan een: „God zegen je, heve kind!'' en toen, na een korte stilte: „Loop maar hard — gauw maar!"

De jongen uit den manufactuurwinkel, die dikwijls vrij onbeleefd, ja soms zelfs brutaal geweest was, kwam nu aan zijn pet, en zei opvallend vriendelijk: „Goeien morgen, jongejuffrouw."

De smid, met een courant in de hand uit zijn smederij schietende, deed nog vreemder.

Lang voor hij bij haar was, vertrok Inj zijn mond tot een breeden lach — anders volstrekt zijn gewoonte niet — en wuifde mj haar met het opengevouwen blad toe. En toen lüj haar voorbijging, zei hij: „Goeien morgen, jongejuffrouw; ik feliciteer u —dat doe ik."

„O," zei Bobbie, en het hart klopte haar tegen de keel; „er moet vast en zeker iets gebeuren. Bc weet het nu zeker! Iedereen doet zoo vreemd — net als in een droom."

De Stationschef schudde haar de hand of die een pompslinger was, maar verklaarde die ongewone hartelijkheid niet. 't Eenige wat hij zei was: „De 11.54 is wat laat, Roberta — dat komt met al die extra bagage na de vacanties," en toen verdween hij in zijn geheimzinnig heiligdom, waarin zelfs Bobbie hem niet durfde volgen.

Perks was nergens te zien, en Bobbie deelde de eenzaamheid van het perron met de stationskat. Zelfs deze grijs met bruin gevlekte jonge dame, meestal tamelijk teruggetrokken van aard, kwam nu naar Bobbie toe, om zich langs haar bruine kousen te wrijven, onder 't opzetten van een hoogen rug, het zwaaien van haar staart en een aanhoudend gesnor.

„Wat gek!" zei Bobbie, terwijl ze zich bukte om het dier te streelen. „Hoe is iedereen toch zoo extra vriendelijk tegen me vandaag — jij ook al, Poes!"

Perks verscheen niet, voordat het sein voor de 1154

Sluiten