Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 221 —

gegaan was, en toen had hij, net als alle andere menschen dien morgen, een courant in de hand.

„Zoo!" zei hü, „ben je daar? Nou, als dit de trein is, zal er wat te koop wezen! God zegen je, beste kind. Ik lees het daarnet, en ik weet niet dat ik in jaren zoo in ntijn schik geweest ben." Hy keek Bobbie even van terzyde aan en het er toen op volgen: „u neemt mij de vryheid niet kwahjk, is 't wek maar op een dag als vandaag," — en meteen gaf Inj haar een kus, eerst op de eene, en toen op de andere wang.

„U neemt het toch immers niet kwahjk, jongejuffrouw — want och, op zóó'n buitengewonen dag "

„Neen, hoor, ik neem het heelemaal niet kwahjk,» zei Bobbie; „we houden net zooveel van je of je een oom van ons was, maar wat voor buitengewonen dag meen je?"

„Zoo'n dag als vandaag!" zei Perks. „Bc zei immers dat ik het daarjuist in de krant gelezen had!"

„Wat dan toch?" vroeg Bobbie, maar juist stoomde de 11.54 het station binnen, en de Stationschef keek al naar al de plaatsen waar Perks behoorde te wezen en niet was.

Bobbie bleef aJleen staan, terwijl de kat haar, van onder de bank op 't perron, met haar goudgele oogen vriendelijk toeknipte.

Natuurhjk hebben juffie allang geraden wat er gebeuren zou. Maar Bobbie was niet zoo vlug. Ze had alleen maar dat wonderlijke, onverklaarbaar vreemde gevoel van verwachting, dat je wel eens in je droomen krügt. Wat ze eigenhjk verwachtte weet üc niet — misschien wel precies hetzelfde wat juffie en ik weten dat gebeuren zou — maar met helder bewustzyn verwachtte ze niets. Integendeel haar gedachten waren juist zoo vaag, zoo zwevend; 't was of haar hoofd heelemaal dof en leeg was, net zooals je maag wel eens is, na een heel lange wandeling, wanneer je ver over den gewonen etenstijd thuiskomt.

Er kwamen maar drie menschen uit den trein van 11.54.

Sluiten