Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 223 —

naar het meisje, dat snikkend aan zh*n hals hing en dat hn' zoo vast in zijn armen klemde.

„Ik wist dat er iets bizonders zou gebeuren," zei Bobbie, toen ze het veld doorliepen, „maar dat het dit zou znn! O, Vadertje toch, wat heerlijk, wat héerhjk is het!"

„Maar heeft moeder dan mijn brief niet gekregen?" vroeg Vader.

„Er zijn van morgen geen brieven gekomen. O, o, Vader, is u 't wel wezenlijk?"

Zijn krachtige handdruk nog niet vergeten, bevestigde opnieuw de gelukkige waarheid.

„Nu moet jij straks vooruitloopen, Bobbie, en Moeder heel kalm probeeren te vertellen dat alles in orde is. De schuldige is eindelük gevat, en iedereen weet nu, dat je vader het niet gedaan heeft, kind."

„Dat wist ik altijd wel!" riep Bobbie. „Moeder en ik en onze oude meneer."

„Ja," zei Vader, „we hebben het aan hem te danken. Moeder schreef me dat ju' het ontdekt had en ze schreef me ook wat je voor haar geweest was; mijn Hef, dapper dochtertje!" Toen stonden ze even stil.

En nu zie ik in mijn gedachten het huis al meer en meer naderen. Bobbie gaat naar binnen, haar best doende om haar oogen niet te laten verraden het heerlijke, hinde nieuws dat ze Moeder „heel kalm" moet trachten mede te deelen; de tijding dat al die eHende, dat stüle verdriet,

die zorgen en die vreeselijke scheiding voorbn' zHn dat

Vader terug is!

Bc zie Vader vol verlangen in den tuin wachten — wachten. Hij kijkt naar de bloemen, en elke bloem is als een wonder voor die oogen, die den heelen zomer niets anders gezien hebben dan steenen vloeren en gangen en grint, met hier en daar een armzalig beetje gras misschien. Maar zn'n blikken keeren telkens weer haastig naar het huis, en nog even later loopt ltij den tuin door en vat hij post achter de dichtstbijzijnde deur. Het is de achter-

Sluiten