Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

coöperatie verwierp hij geheel en al, daar deze, wanneer ze de geheele arbeidersklasse omvatte, geen blij* vende voordeden kon verschaffen in verband met de ijzeren loonwet. Onder zijn invloed kwam in de reso* lutie van Gotha (1875) de volgende zinsnede voor: „Op* richting van socialistische productie.coöperaties met Staatshulp onder democratische controle van het arbei* dende volk". Hieruit moest de socialistische organisatie der maatschappij ontstaan, zooals de resolutie verder verklaarde. Het algemeen kiesrecht moest dienst doen om die Staatshulp mogelijk te maken. Door welke middelen het Staatscrediet moest worden verschaft vertelde de resolutie niet. Zij zelve was een compromis tusschen de volgelingen van Lassalle en Marx.

In de productie*coöperaties zag Marx minder beteeke* nis dan Lasalle; doch evenals deze ontzegde hij alle beteekenis aan de verbruikscoöperatie. Overal waar de invloed van Marx merkbaar werd week het coöperativis* me terug. Ook dat was verstaanbaar. Volgens Marx moest de maatschappij zich zoo ontwikkelen, dat de tegenwoordige maatschappij plaats moest maken voor een hoogeren vorm. De arbeidersklasse had tot taak zich door politieke actie van den Staat meester te maken teneinde met de op die wijze verkregen macht de ont* eigenaars te onteigenen. Alle kracht moest dus op de politieke actie worden geworpen. Het stichten en be* heeren van verbruikscoöperaties moest in vergelijking tot dat geweldige werk wel als noodeloos tijdverknoeien worden gezien. Bij de volgelingen van Marx* ontstond een economisch fatalisme, door hun geloof in de automa» tische verandering der maatschappij, die hun de coöpe* ratie deed verwerpen.

Tot 1899 is de houding der Duitsche S. P. zeer gereser* veerd. Maar ondanks dat alles, ondanks Lasalle en Marx begonnen de Duitsche arbeiders op het voorbeeld hun* ner bngelsche en Belgische makkers verbruikscoöpera*

Sluiten