Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

woordige plant» en diersoorten, met inbegrip van den mensch, zich zonder tusschenkomst van „hoogere mach» ten ' uit eenvoudige, eencellige organismen zouden hebben ontwikkeld.

De grondgedachte dezer overwegingen was veelal, dat alle natuurgebeuren ten slotte te verklaren zou zijn uit kleine bewegende stofdeeltjes, die op elkaar inwerkten door aantrekking, botsing en afstooting. Met deze beschouwingswijze had men in de natuurwetenschap, zoowel theoretisch als praktisch, zooveel succes gehad, dat de aandacht daar geheel op werd geconcentreerd. Die aandacht was in hoofdzaak gericht op de buiten» wereld, waarin men immers dat succes behaald had. Met het eigen innerlijk leven, het bewustzijn, hield men zich minder bezig. Voor zoover men er zich mede bezig hield, trachtte men, op grond van het verband tusschen bewustzijn en hersenen, het bewustzijn te verklaren uit de bijzonder samengestelde bewegingen van kleine stof» deeltjes in de hersenen.

Wel had S p i n o z a reeds in de 17e eeuw een veel aannemelijker opvatting verkondigd, volgens welke het niekruimtelijke denken en de ruimtelijk=stoffelijke wereld beiden door eene daaraan ten grondslag liggende „substantie" werden voortgebracht Ook had de wijs» geer Kant reeds in het laatst der 18e eeuw erop ge» wezen, dat wij de „stof' alleen kennen door de indruk» ken, die de zintuigen ons toevoeren en die door ons verstand verwerkt worden; dat er reden is om aan te nemen, dat „ruimte" en „tijd" menschelijke aanschou» wingsvormen zijn, die als zoodanig dus buiten den mensch niet bestaan; dat in dezen zin wat wij „stof" noemen, geen van ons onafhankelijk bestaan heeft, maar mede product is van onzen eigen aanleg. Maar al deze wijsgeerige overwegingen werden in de materialistische periode der 19e eeuw, toen de aandacht geheel naar buiten gericht was, veronachtzaamd.

Sluiten