Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na den oorlog leverden de buitensporig hooge prijzen van het inlandsche vleesch den prikkel tot nieuwe pogingen om den invoer van bevroren vleesch te bevorderen.

Intusschen had deze zaak ook de aandacht der Regeering, waarvan het gevolg was, dat in opdracht van den Minister van Arbeid de heeren Quadekker, directeur van het Abattoir te Nijmegen, en C. F. van Oyen, hoogleeraar aan de Veeartsenijkundige Hoogeschool te Utrecht, een onderzoek instelden naar het voor uitvoer bestemde vleesch in Argentinië, Uruguay en Brazilië. Beide heeren concludeerden, dat de invoer van Argentijnsch vleesch, uitsluitend geslacht in de modern ingerichte frigorifigos, zonder bijvoeging van organen kon worden toegestaan. Voor Braziliaansch vleesch was de conclusie afwijzend, omdat de keuringsdienst bij de slachting niet overal gelijke en voldoende waarborgen bood.

Hoewel reeds vóór het uitbrengen van dit rapport andere steden op aandrang van den handel het bevroren vleesch zonder organen hadden toegelaten, meende het Gemeentebestuur van Amsterdam daarop niet vooruit te moeten loopen, en rustig te moeten wachten, totdat de beide heeren hun rapport zouden hebben uitgebracht, doch toen dit eenmaal was geschied, werd den Raad op 8 Februari 1921 een voordracht voorgelegd, waarin het beginsel van het monopolie werd voorgesteld.

Waarom het monopolie? Onze tegenstanders zeggen: omdat wij socialisatie willen binnenloodsen onder een valsche vlag. Het is tegenwoordig mode geworden om, wanneer men een goede overheidsbemoeiing wil bekampen en vernietigen, er het praedicaat „socialisatie" aan te geven. Dan slaat der goede burgerij de schrik om het hart, en heeft men de sfeer verkregen, die men ter behartiging van particuliere belangen tegenover de overheidsbemoeiing noodig heeft. Hier was het monopolie echter niets anders dan de eenig mogelijke juridische en administratieve bodem, waarop een rationeele voorziening kon plaats vinden.

In België, waar men een gelijksoortige poging ondernomen had, doch naast het eigen bedrijf de particuliere knoeierijen heeft toegelaten, moest het gemeenschapsbedrijf dit met den dood bekoopen.

Naar mijn meening staat de zaak aldus:

De particuliere handel heeft bestaansrecht, wanneer daarmede het belang van de consumenten gebaat wordt. Zoodra echter de bemoeiing, op een andere wijze georganiseerd, meer voordeel voor de consumenten oplevert, heeft de eerste geen recht om ingeschakeld te blijven, zoomin als de arbeiders in de fabriek recht hebben op behoud van hun plaatsen, wanneer door technische verbeteringen aan hun arbeid geen behoefte meer bestaat.

Het vleeschmonopolie werd ingesteld:

ie. om te zorgen dat slechts vleesch werd ingevoerd van die slachtbedrijven, welke daarvoor volgens het oordeel van de beide genoemde heeren, die een onderzoek ter plaatse hadden ingesteld, in aanmerking kwamen;

2e. om het in de hand te hebben, wanneer eventueel nadeelige gevolgen voor de gezondheid mochten blijken, onmiddellijk den invoer en den verkoop te kunnen stop zetten;

3e. om den gescheiden verkoop in vollen omvang te kunnen handhaven;

5

Sluiten