Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik beweer niet, dat vergrooting van het vleeschverbruik een onmisbare voorwaarde is voor de welvaart van een volk. Wel wordt heel vaak het vleeschverbruik per hoofd der bevolking als maatstaf van welstand beschouwd.

Voor het oogenblik dezen maatstaf toepassende op de Amsterdamsche bevolking, krijgen we uit een vergelijking van 1913 met 1923 het navolgende resultaat.

Rundvleeschverbruik per hoofd der bevolking:

in 1913: 20.7 K.G. in 1923: 26.3 K.G.

Van niet te onderschatten beteekenis is ook de invloed van den prijs op het indexcijfer. Voor Amsterdam mag men zeggen, dat bevroren rundvleesch van zeer goede kwaliteit verkrijgbaar is voor ongeveer denzelfden prijs als in 1914 heeft gegolden voor versch vleesch van middelmatige kwaliteit.

Wel moet worden toegegeven, dat het beter ware geweest, indien de prijs van het inlandsch product, dat zoo nauw verwant is aan den bodem, zoo ver gedaald was, dat de invoer van het buitenlandsche vleesch in geen dringende behoefte zou voorzien.

Het staat toch voor Nederland anders dan voor Engeland, waar de bevolking voor hare consumptie bijna uitsluitend op den invoer uit het buitenland is aangewezen. Nederland kan slachtvee in voldoende hoeveelheid voortbrengen en ook in de kwaliteit kunnen belangrijke verbeteringen worden verkregen.

Het is voor Nederland een kwestie van prijs.

Daarom, en dit ten slotte, behoorde de Regeering te doen voor het geheele land, wat het Gemeentebestuur doet voor Amsterdam.

In hun brief aan de Kamer van Koophandel te Amsterdam zeggen Burgemeester en Wethouders het volgende:

„Hoewel zulks niet direct binnen de zorgen ligt van ons Gemeentebestuur achten wij het toch ongewenscht, dat een geïmporteerd artikel, hetwelk na bewerking niet of niet gemakkelijk te onderscheiden valt van het inlandsche, als zoodanig aan het publiek kan worden verkocht. Voor- en nadeelen van de beide artikelen kunnen thans bij het Amsterdamsche stelsel tegen elkaar worden opgewogen. De Nederlandsche veeteelt ziet zich gedwongen met dezen openlijken verkoop rekening te houden met zijn eigen concurrentievermogen. Clandestiene verkoop ondergraaft daarentegen de positie van het inlandsche product geheel, zonder dat daartegen verweer mogelijk is. Het is dan de handel alleen, die de beslissende stem heeft."

Wij zeggen hun dit na en voegen er aan toe, dat wanneer het gemeentemonopolie een Rijksmonopolie werd, de verkoopsvoorwaarden van Amsterdam voor het geheele land zouden kunnen gelden. Dan zou de invoer van buitenlandsch bevroren vleesch slechts dienen ter verkrijging van een goedkoop en goed volksvoedsel en niet zooals dit in ons land, behalve te Amsterdam, het geval is, als middel om den handeldrijvenden middenstand re verrijken.

16

Sluiten