Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer van Schevichaven heeft gewerkt, zoolang het dag voor hem was, en zelfs toen de avond reeds was gevallen en het duister was geworden voor zijn oogen. Hij hoopte nog gereed te komen met het werk, waaraan hij reeds geruimen tijd zich had gegeven, en sloeg daarom alle hulp af; wat tot dien tijd op zijn naam was verschenen, was zijn eigen werk geweest, ook dit laatste moest het zijn.

Toen de nacht voor hem was aangebroken, liet hij na een portefeuille met fragmenten voor een boek over Slavernij en Dienstbaarheid, welke titel uit zijn aanteekeningen was op te maken. Talrijke passages waren in herhaalde omwerkingen voorhanden. Toen het licht zijner oogen hem ging begeven, heeft hij met ijzeren volharding nog gedaan, wat hij kon.

Op verzoek zijner zuster, Mej. J. Guyot, heb ik gaarne mijn best gedaan, van die fragmenten zoo goed mogelijk een geheel te maken. Een groot deel zijner aanhalingen heb ik gecollationeerd; ook Dr. J. S. van Veen had de vriendelijkheid er eenige voor zijn rekening te nemen.

Wat men hierachter vindt, is dus geheel het werk van v. Schevichaven. Evenals ik zou hij het „af" hebben gewenscht. Maar toch kwam het mij voor, dat wat zijn onverdroten werklust bijeen had gebracht, niet mocht verloren gaan. Immers hij had vele gegevens verzameld, die anderen kunnen dienen; zijn kijk op de verhoudingen (die niet altijd de mijne is) kan anderen lokken tot navolging of nauwkeuriger bepaling van hun standpunt. Het Bestuur van Gelre nam welwillend de uitgave op zich.

Moge dit oeuvre posthume van mijn sympathieken vriend aan velen welkom zijn en hen doen gedenken zijn nobele figuur.

JOOSTING.

HAREN, Februari 1924.

Sluiten