Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

scheidelijk verbonden aan eiken vorm eener geordende samenleving. Van dien tijd af dat het gevoel van menschelijkheid zoo ver was ontwikkeld, dat de overwinnaar den overwonnene niet langer opat of althans doodde, werd de slavernij een logisch verklaarbare instelling.

Reeds in de oeroude Indische veda's geldt hetzelfde woord (dasa) voor vijand en voor slaaf 1).

Homerus gebruikt het woord fiovlog niet; in de Ilias en in de Odyssee komt in plaats daarvan alleen voor ó>«s (afgeleid van cW», ó>««, ik onderwerp), ó/ial slavin. Als slaaf was de overwonnene onschadelijk en tevens nuttig gemaakt, Slavernij gat voldoening aan twee den mensch aangeborene en ingewortelde driften: heerschzucht en gemakzucht. Daarbij kwam een derde met minder invloedrijke overweging. De overwonnene vormde een deel van den krijgsbuit, werd een handelsartikel, dat tegen andere gewenschte voorwerpen kon geruild, kon verkocht worden. „Dood geen krijgsgevangene; gij kunt hem immers verkoopen of hij kan u van dienst zijn; geef hem zijn voedsel en laat den krachtigen man uw vee weiden, laat hem voor u ploegen", zegt Horatius 2). Z,oo werd slavernij bij krijgshaftige volkeren een natuurlijke instelling. Aldus was het bij de Romeinen, zoolang hun politiek nog alleen was gericht op de uitbreiding der rijksgrenzen. Desgelijks bij Franken, Friezen, Saksen, Noormannen, voordat deze volkeren van een aggressieve tot een defensieve staatsorde overgingen.

Dat het christendom officieel een gunstigen invloed zou hebben uitgeoefend op de slavernij, is een van die stellingen in de woorden van Cicero: „talia sunt, ut optata magis quam inventa et probata videantur". Nóch het Oude nóch het Nieuwe Testament bevat eenig verbod dienaangaande. Wèl staat er geschreven, dat alle menschen broeders zijn en „Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet aan"; maar de toepassing dier voors<±nrten van naastenliefde bleef zeer beperkt. De apostel Paulus. die in zijn brieven zoovele misstanden gispte, laat de slavernij ongemoeid. Hij beveelt den slaven (dovXoic) aan: „gehoorzaamheid aan hun heer naar het vleesch, met vreeze en beven" (Ephes. 6 : 5). Evenzoo beveelt Petrus den huisslaven {olxetcüc) aan: „onderdanigheid aan hun heeren, niet alleen aan de goede en bescheidene. maar ook aan de harde" (1 Petr. 2 : 18). In het evangelie van Lucas (iy : li) wordt een onbillijke meester voorgesteld als „een straf mensch , doch zonder eenig teeken van afkeuring of veroordeeling. De plichten der meesters tegenover slaven worden, bedrieg ik mij niet, nergens in de H. Schrift omschreven dan in vers 9 van het reeds genoemde hoofdstuk van den brief aan de Ephesiërs. Voorts Kol. 4:1. Vandaar dat slavernij en slavenhandel eeuwen na de invoering van het christendom bleven voortbestaan, beschermd door de wetten van christelijke volkeren, en dat zij zelfs door de Kerk op groote schaal werden uitgeoefend. Dit kon ook niet wel anders. Immers de geestelijken waren menschen, die ten allen tijde min of meer de zienswijze

1) Rohrbach, Gesch. d. Menschheit, S. 49.

2) Horatius, Epist. I. 16. vs. 69.

2

Sluiten