Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

deelden der maatschappij, in welker midden zij leefden. Bovendien was de Kerk van haren oorspronkeüjk nederigen staat gestegen tot hoog, het hoogste aanzien. Al hare hoogere rangen en ambten werden in den regel bekleed door mannen van aanzienlijke, meestal adellijke geboorte, die natuurlijk de begrippen van hun stand medebrachten en naleefden en ze niet vermochten af te schudden. Voor hen was de mindere man een minderwaardig wezen, te zijnen behoeve geschapen. Slavernij had in alle eeuwen en bij alle volkeren als eene natuurlijke evolutie bestaan, werd ook in de H. Schrift met geen woord veroordeeld. Wel voelden de hoogere, fijnere geesten, evenals ook bij leeken meermalen het geval was, de tegenstelling, die er heerschte tusschen deze instelling en den geest van het democratische christendom; dezen bestreden de slavernij naar vermogen. Maar de groote meerderheid der geestelijkheid voelde zich niet geneigd den rijkdom te verwerpen, dien de slavernij aanbracht.

Kleine veranderingen ten goede kwamen niettemin in zwang. De Christenen veroorloofden den slaven deel te nemen aan hun godsdienstoefeningen ; hun huwelijken werden kerkelijk ingezegend, hun afgestorvenen gunde men een christelijke begrafenis. Vrijlating van slaven werd op een concilie aanbevolen als een goed werk. Daar onze Zaligmaker den band verbrak, waarmede wij waren gebonden, en ons de oorspronkelijke vrijheid teruggaf, zoo handelt men in zijnen geest (salubriter), als men menschen, die de natuur in den beginne vrij heeft geschapen, maar wien het volkenrecht het juk der slavernij heeft opgelegd, door de weldaad der vrijlating die vrijheid teruggeeft, waarin zij zijn geboren 1). En die zienswijze vond ingang.

Reeds de Ribuarische wet spreekt van het vrijlaten van slaven „voor het heil . der ziel" 2). Een vrijbrief, die niet ouder kan zijn dan uit de 6de eeuw, vangt aan met de woorden: „Hij, die den hem verschuldigden band van slavernij ontknoopt, mag vertrouwen hiernamaals ook genade bij den Heer te zullen vinden." Een andere van denzelfden tijd luidt; „Als wij iemand dergenen, die ons dienen (servientes nobis, het smadelijke woord servus wordt hier vermeden), van het juk der slavernij bevrijden, dan vertrouwen wij, dat wij hiernamaals daarvoor zullen worden beloond" 3). Of wel: „Daar de almachtige God ons heeft toegestaan' hier op aarde een gezond lichaam (sanum corpus) te hebben, behooren wij vaker indachtig te zijn aan het heil onzer ziel, ten einde te verdienen, dat er een weinig van onzen zondenlast worde afgenomen. Weshalve ik, inGodesname N. geheeten, voor het heil mijner ziel of om mijn zondenlast te verminderen, opdat de Heer mij eenmaal genade zal verleenen, mijn slaaf X. heb vrijgelaten" enz. 4).

Van sommige der geloofsapostelen, die in westelijk Europa predikten, is het bekend, dat zij ijverden tegen slavernij. Tot lof van het broederpaar S. Gervasius en Protasius wordt verhaald, dat zij

1) c. lxviii. C. XII, q. ii.

2) Lex Rip., rit. 58 (Herold 60): „pro animae suae remedio".

3) Marcolfi Formularum lib. II, Nos. 32 en 34 (III, p. 333, 334).

4) Appendix Marculfl (= Formulae veteres incerti auctoris), No. 13 (III, p. 351).

3

Sluiten