Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

gegeven en dit later ontkent, dan moet hij, die hem als onvrije (pro lito) bezit, zeggen: „Of ik zal u nu met mijn 6. 7, 10 of 12 of desnoods 20 eedhelpers door mijn eed tot mijn eigen (1 i t u m) maken öf gij moet met uwe eedhelpers verklaren, dat ik geen macht over u heb". Wil hij dan zweren, zoo kan hij dit doen en zich van de slavernij (servitute) vrij maken; wil hij echter niet zweren, dan mag degene, die hem bezat, hem als zijn onvrije (1 i t u s) behandelen gelijk zijn overige onvrijen" 1). Daarop volgt nog een paragraaf, waarin wordt bepaald, hoe moet worden gehandeld, als een hunner zegt: „Ik wil alleen (d. w. z. zonder eedhelpers) zweren. Spreek gij, zoo ge durft, mijn eed tegen en bestrijd mij met de wapenen". En dit mogen zij doen, zoo zij het wenschen. De eene legt den eed af, de andere spreekt dien tegen; en zij gaan naar het strijdperk" 2). De beslissing werd daar aan het godsoordeel van den tweekamp overgelaten.

Bij de Friezen mocht, in oeroude tijden, de man zijne vrouw en kinderen in slavernij overgeven. Dit geschiedde b.v. op groote schaal tengevolge van de afpersingen door de Romeinen. Toen de Friezen, door de knevelarijen van Olennius, al wat zij bezaten hadden moeten afgeven en de schattingen ten laatste niet meer konden betalen, gaven zij hun vrouwen en kinderen als slaven aan de Romeinen over.

Bij de Franken moest hij, die het weergeld schuldig bleef, zich met zijn gansche gezin in slavernij begeven, totdat het betaald was. Dat dergelijke gevallen in vroege tijden niet zeldzaam voorkwamen, blijkt uit een edict van koning Pippijn den Korte betreffende huwelijken van vrijen met slaven of slavinnen, waarin hij zegt: „tenzij hij zich uit armoede, door honger gedrongen, als slaaf heeft verkocht" 3). Een andere bepaling schrijft voor: „Als iemand zijn dochter als dienstmaagd (famula) heeft verkocht, dan zal zij niet (gekleed?) gaan als de slavinnen (n o n egredietur sicut ancillae); wil de kooper haar de vrijheid schenken, dan kan hij dat doen; hij mag haar niet aan een ander volk verkoopen" 4). Wie echter een man stal en als slaaf verkocht, werd ter dood veroordeeld 5). Over de gewoonte om zich „als borgtocht in eens anders macht te begeven" zal hieronder worden gesproken.

Het was echter niet alleen bij de Friezen, dat dergelijke gevallen voorkwamen. Ten einde voedsel te verkrijgen tijdens een hongersnood, die in Frankenland heerschte, begaven duizenden zich vrijwillig in slavernij. „Schandelijk", zegt Gregorius van Tours, „werd het volk door de handelaars geplunderd. Voor een tremis (V3 solidus) kon men ternauwernood een schepel graan of 4 maten wijn koopen. De armen begaven zich vrijwillig in slavernij, om maar eenig voedsel te bekomen" 6). Ziekte kon eveneens tot dien wanhopigen stap leiden. In de verzameling van formulieren, door den Franciscaner monnik Marculf in de 7de eeuw bijeengebracht, is er één, waarbij iemand

1) Lex Frisionum, tit. XI de lito, § 1 (I. p. 359). 2) Ibidem § 3.

3) Capit. 752, c. 6 (II. p. 33). 4) Capit. K. M. et Lud. Pii, VI, c. 4 (II, p. 597X

5) Ibidem, c. 9 (II, p. 597). Reeds in het Oude Testament vinden wij dergelijke voorschriften;'zie Exod. XXI : 16; Deut. XXIV : 7.

6) Gregorius von Tours. Zehn Bücher Frankischer Geschichte (4. AuH. (S>. Mellmann), Leipzig 1913), B. VII, c. 45.

Sluiten