Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

21

kat in den zak" te koopen 1). De dichter Horatius schildert in een levendig tafereeltje de wijze, waarop de handelaar zijn waren aanprees, in casu een Italiaanschen jongen, geboren te Tibur of te Gabia: „Deze jongen is mooi en blank, van het hoofd tot de voeten. Gij kunt hem hebben voor 8000 nummi. Hij zal een goede huisslaaf worden, u op uwe wenken bedienen, is goed bekend met de grieksche literatuur en heeft aanleg voor elke kunst. ',t Is een klomp leem, waaruit gij kunt maken wat gij maar wilt. Hij kan aardig zingen, wel niet als een virtuoos, maar goed genoeg, als men zoo eens met een vriend een glas wijn drinkt. Wie te veel belooft, kan men niet vertrouwen ; prijst iemand zijn waren bovenmatig, dan is het maar om ze aan den man te brengen. Ik ben niet in geldgebrek, hoewel ik alles behalve rijk ben; maar dit kan ik u verzekeren, geen ander handelaar zal u zulk een koopje geven, daar kunt gij zeker van zijn; en ik doe het alleen, omdat gij het zijt. De jongen is eens weggeloopen zooals zij dat doen, en verstopte zich onder de trap, uit angst voor de zweep. Koop hem, als gij niets anders tegen hem hebt dan dat ééns wegloopen." „Dat lijkt alles wel mooi," zegt Horatius, „maar wat moet ik er van gelooven?"2) Mutatis mutandis zal het zoo ook wel in de middeleeuwen zijn gegaan. Het zijn dezelfde phrases, die ook nog heden ten dage bij het sjacheren dienst doen.

In het tarief van den tol te Coblenz van 1104 wordt bepaald, dat voor eiken slaaf, die te koop was (de sclavo empticio), 4 den. moesten worden betaald 3). Een ander afschrift zegt, dat „de joden voor eiken slaaf, die te koop is," enz. 4).

Inderdaad was de slavenhandel in de vroege middeleeuwen hoofdzakelijk in handen der Joden, en talrijk waren de uitspraken van kerkvergaderingen alsmede decreten der vorsten, die hen daarin beperkten en het verkoopen van christenslaven strafbaar stelden. Reeds onder de regeering van den Frankenkoning Gontram (569—593) werd op een kerkvergadering te Macon uitgesproken, dat men, aangezien Christenen door vijandelijke invallen of door bedrog in de handen der Joden geraakt waren, voorschriften dienaangaande had gemaakt. Maar men vernam klachten, dat de Joden in de steden en op het platteland zoo vermetel waren geworden, dat zij deze slaven voor geen prijs wilden afstaan. Men besloot daarom, dat voortaan geen Christen slaaf van een Jood mocht zijn. Een ieder stond het vrij eiken christenslaaf van een Jood voor 12 sol. te koopen en hem de vrijheid te schenken of voor zijn eigen dienst te behouden. „Want het is tegen Gods wil (nefas), dat zij, die het bloed van Christus heeft vrijgekocht, in slavernij zouden worden gehouden door wie hem lasteren" 5). Geen Jood mocht een christenslaaf in zijn huis hebben.

1) Suetonius, Augustus, c. 69. 2) Epist., 2, 21. 3) Sloet, Oork.bk., No. 205. 42 yer' Urkundenb., die zijn lezing onüeent aan Senckenberg, Selecta iuris, VI,

5) c. 1, X de Iudaeis, Sarracenis et eorum servis, V. 6. Het converse dezer gedachte werd uitgesproken door paus Paulus IV in 1555: „Het is al te ongerijmd en onbehoorlijk, dat de Joden, wier eigen schuld hen tot eeuwigdurende dienstbaarheid (s e rvi t u s) heeft gedoemd,... zich, in plaats van de dienstbaarheid die zij hun (nl. den Christenen) verschuldigd zijn. heerschappij over hen zouden aanmatigen" (Septim. Decret., V. 1. c. 4).

Sluiten